Fins bier: drink het, nu!

mosaic bier

Meisjes, jongens, komt dat proeven, komt dat proeven! Wat ik nu toch ben tegengekomen bij een niet nader te noemen Duitse grootgrutter: Fins bier. Lekker voor na een saunabezoekje, maar ook voor na het bridgen, keramisch koken, tango-dansen, de krant lezen, lijm snuiven etc. Ik ga er bijna van zingen:

Fins bier, Fins bier, Fins bier, een lekkere worst
De worst is voor de honger en het bier is voor de dorst!

Pleidooi voor middelmatigheid

Gisteren de hele dag met vakgenoten gekeken hoe we de resultaten voor de directeur omhoog kunnen krijgen. En dan hoor ik je vragen: in welke branche werk je dan? In het onderwijs! Als we niet bezig zijn met leerlingen laten excelleren, zijn we wel bezig om onszelf op te stoken om het alsmaar beter, beter, beter te doen.

Ooit, ik was geloof ik een jaar of 20, meldde ik plompverloren tijdens het grote kerstdiner in het ouderlijk huis dat ik er geen enkel probleem mee zou hebben om later middelmatig te zijn. Mijn schoonzus reageerde verbaasd, verbolgen bijna. Hoe kun je nou niet willen uitblinken in iets?

Mijn uitgesproken voornemen ebde langzaam weg, maar nu, na een half leven lang diploma’s, targets en promoties komt het me eigenlijk wel weer als de enige juiste levensweg voor: middelmatig zijn, gewoon zijn. Heerlijk!

levensweg

Taalverandering: HET internet

In weerwil van de wetmatigheid dat er bij taalverandering vooral dingen verdwijnen in plaats van dat er dingen bij komen, is bij het woord internet iets vreemds aan de hand. Vroeger (sic) hadden we het meestal over internet, niet voorafgegaan door het bepaalde lidwoord het. ‘Wat was je aan het doen, Bobby?’ ‘Ik zat op internet, mam!’ ‘Oh. Doe je voorzichtig, schatje?’ ‘Jahaaaa!’

Wanneer zijn we het ineens nodig gaan vinden om dat ene bepaalde lidwoord ervoor te plaatsen? En dan is het ook nog eens het lidwoord dat juist uit onze taal zou verdwijnen, volgens de mensen die er verstand van hebben.

Is het omdat we de Engelstalige wereld (‘How much time do we spend on the internet?’) zo graag nadoen? Of denken we dat het ouderwetse lidwoord meer recht doet aan de grootsheid van de online wereld en is het dus een kwestie van ontzag? Is het om afstand te creëren tussen onszelf en de digitale wereld dat we die wereld als mannelijk, noch vrouwelijk aanspreken, maar juist onzijdig?

Stuur je antwoord op een briefkaart naar KRO’s Taalkwesties, postbus 1234 AB in Hilversum en win een analoge sleutelhanger.

‘Oh, by the way, which one’s Pink?’

Ik zal al pielend met een nieuw reverb-pedaal wel een beetje David Gilmour-achtig hebben geklonken, onlangs in de oefenruimte. Onze drummer begon namelijk na een lange jam ineens over een Pink Floyd-nummer dat ik eigenlijk nog niet echt kende. Het ging om Have a Cigar: een cynische, ruim vijf minuten durende tirade tegen het archetype van de gierige platenbons, verpakt in licht psychedelische bluesrock met een synthesizer-sausje.

Het lied staat op het album Wish you were here uit 1975 en was daarop eigenlijk een buitenbeentje. Bijna de hele rest van de plaat was één lange ode aan gevallen held en oer-bandlid Syd Barrett, maar in Have a cigar gaat het overduidelijk alleen over de periode tussen pak hem beet het eclatante succes van doorbraakplaat Dark Side of the Moon en het plannen van het album dat later Wish you were here zou worden.

Luisterend naar de tekst waan je je in een protserig platenbazenkantoor anno 1974 en hoor je een man in een iets te duur pak aan een paar beteuterde – door het plotselinge succes overvallen – voormalige artistieke alto’s uit de 60’s een sigaar aanbieden die staat voor een duivelse deal waaraan de man in het pak uiteraard onevenredig veel geld gaat verdienen; geld dat eigenlijk voornamelijk in de zakken van de voormalige alto’s zou moeten verdwijnen.

Maar wat blijft er over van dit bijtende cynisme als de mannen in kwestie (inmiddels zijn er nog maar drie over trouwens; toetsenist Richard Wright overleed in 2008) driedubbel dik miljonair zijn geworden met alle legendarische muziek die ze gemaakt hebben? Deze kritische retorische vraag komt niet van mijzelf, maar van drie mensen op het fantastische songtekst-platform Lyrics Genius.

In een bijdrage van de users Gremal, Avi, en Zille (een gedicht op zich) lees je:

It’s worth noting that, as much as the lyrics spoof and criticize the record executive, they don’t cast Pink Floyd in the greatest light, either. Here is a band that indeed did try to make it and succeeded. Their fans loved them. They became millionaires. And much of this was made possible by the record industry that Floyd now berates. There is an element of biting the hand that fed them and worse, of whining and self-pity from a group of millionaires who play music and explore self expression for a living. If record execs were as superficial as Floyd suggests, they would not allow themselves to be spoofed in this manner.

Maar wat bij alle fans en top 2000-kenners het meeste blijft hangen uit dit lied is toch wel de vraag die –  in de songtekst gesteld door de verwende platenbaas – symbool staat voor de desinteresse van de vrije markt-graaiers voor de wereld van de schone kunsten. De man in het te dure pak vraagt aan de inmiddels wereldberoemde band (band! niet: singer-songwriter!): ‘Oh, by the way, which one’s Pink?’ U en ik weten: er was niemand in de band Pink Floyd die daadwerkelijk die naam droeg, hoewel het wel degelijk een samensmelting was van twee obscure blueszangers, Pink Anderson en Floyd Counsil. Wie op het geniale idee kwam om die twee namen achter elkaar te zetten? Oer-gitarist Syd Barrett. Maar dat is een verhaal voor een andere keer.