Quasi-Poëzie

Dit is Quasi-Poëzie

Dit is Quasi-Poëzie

Dit is Quasi-Poëzie


Dit is Quasi-Poëzie

Dit is Quasi-Poëzie

Dit is Quasi-Poëzie

Dit is Quasi-Poëzie (Poëzie, poëzie, poëzie, poëzie, poëzie)

Dit is Quasi-Poëzie

Dit is Quasi-Poëzie

Dit is Quasi-Poëzie

Dit is Quasi-Poëzie


Dit is Quasi-Poëzie


Dit is Quasi-Poëzie

(Poëzie, poëzie, poëzie, poëzie, poëzie)


Bondscoach

Je stond aan het roer, beroerde
het echter niet
(beroerder kon het niet)
en de bemanning – op zich mans
genoeg – waande zich stuurloos bestuurd;
overmand door…wat, emoties? staarde men,
van ketelbinkie tot ervaren zeerot,
stuurs voor zich uit naar…wat, de einder?
Het einde.

En het schip verging met Man en
muis.

Sikkepit

Op zoek naar een onderwerp om over te schrijven kon ik niet anders dan even aan Maarten Biesheuvel denken. Ik lees op dit moment de geweldige gevonden verhalen, gebundeld onder de titel Vroeger schreef ik. Het lezen van Biesheuvel is als het eten van een heerlijk, onbekend gerecht dat je meteen inspireert om zelf in de keuken gaan staan om te experimenteren. Deze laatste zin overlezend denk ik: wat doe ik in godsnaam in de keuken?

Hoe dan ook, ik moest gisteravond na die vreselijke wedstrijd ineens denken aan het woord sikkepit. Het Nederlands is een heerlijke taal als je dingen wil formuleren als ‘Het kan me geen….schelen’ Ga maar na: je kunt eindeloos veel dingen op die puntjes invullen, van moeren, bouten, fluiten, en zieren (wat is een ‘zier’ eigenlijk?) tot, jawel, sikkepitten.

Wat kunnen we over de sikkepit vaststellen, alvorens we er onderzoek naar verrichten? Als we kijken naar bepaalde taaleigen patronen, moet het in elk geval gaan om een sikkige pit, en niet om een pittige sik. Een spookdiertje is immers een spookachtig diertje, en niet een dierachtig spookje, om maar een voorbeeld te noemen.

Maar wat is dan een sikkige pit/een pit met een sik? Geen idee, maar ik probeerde laatst een mangopit op te kweken tot een plantje (nog zonder succes overigens) en voordat je bij de echte pit komt heb je dan een enorm boon-achtig gevaarte uit die vrucht gehaald waar nog het nodige vruchtvlees aan zit. Met enige fantasie had het wel wat weg van een hoofd met een vlassige, sliertige sik eronder.

Wacht! Ewoud Sanders blijkt hier in 2003 iets over geschreven te hebben in de NRC:

‘…sikkepit is samengesteld uit de woorden sik in de betekenis `geit’ plus pit in de betekenis `keutel’. De oorspronkelijke betekenis is dus `geitenkeutel’.’

Een geitenkeutel dus. Als iemand je vraagt naar je mening over de uitschakeling van oranje kun je dus prima ‘Dat kan me geen geitenkeutel schelen!’ zeggen. Probeer het maar eens.

Bertolf

Pfff, knap hoor, hoe Bertolf kan klinken als Rufus Wainwright, Crosby Stills & Nash, Awkward I, Tim Knol, Novastar, Tim Christensen, Paul McCartney, The Shins, Ron Sexsmith, The Beach Boys, Elliott Smith en nog tig anderen…..binnen één nummer! Klinken als één of twee van die mensen is al een prestatie waar de meeste stervelingen niet toe in staat zijn, laat staan zo’n gigantische, schier eindeloze rij. En dan staat er ook nog een absolute kippenvel-tranentrekker op zijn nieuwe album in de vorm van ‘What have I dragged you into?’ Onnederlands goed.

Zou Bauke Bakker trouwens drums spelen op deze plaat?

Superbloedmaan

Superbloedmaan

Er was ooit een planeet, de third rock from the sun

Daar was het niet te heet, niet te koud: lekker, man!

Er woonde toen nog niemand, dus er was ook niet veel aan

En aan de hemel stond de superbloedmaan


Super, super-superbloedmaan

Super, super-superbloedmaan


Er kwam ineens wat leven, in de brouwerij

En heel wat jaren later was het één grote brij

En toen was er een aapje en dat pakte een banaan

En aan de hemel stond de superbloedmaan


Super, super-superbloedmaan

Super, super-superbloedmaan


We zappen weer wat verder, de aarde is best vol

Je loopt hier op die ruimterots niet echt meer voor je lol

Wat vind je hier nou eigenlijk nog echt goed gaan?

Het samen kunnen kijken naar de superbloedmaan!


Super, super-superbloedmaan

Super, super-superbloedmaan

Blijfkracht

Ik kan me de eerste keer dat ik de Engelse term ‘staying power’ in het Nederlands gebruikt hoorde worden nog goed herinneren. Het was in een televisie-uitzending van de Nederlandse top 40. Erik de Zwart was daarvan de presentator en mocht de clip van de – niet al te beste – U2-single Electrical Storm aankondigen. Hij deed dat in zijn gebruikelijke, zwierige volzinnen, waarin hij memoreerde aan De Grote Vier popartiesten van de jaren ’80: Michael Jackson, Prince, Madonna en U2. Omdat hij van de eerste twee destijds (2001) weinig meer vernam, achtte hij daarmee de ooit door hemzelf in de jaren ’80 uitgewerkte theorie bewezen dat van De Grote Vier alleen Madonna en U2 échte ‘staying power’ hadden.

Sindsdien heb ik de uitdrukking aardig vaak voorbij horen komen in het Nederlands, wat me heeft doen besluiten om er maar eens een Nederlandse variant voor te verzinnen: blijfkracht. Klinkt lekker kort, maar toch (duh!) krachtig, het bekt lekker en sluit goed aan op al bestaande Nederlandse woorden zoals kleefkracht.

Op dit moment zie ik dat de spellingscontrole nog een rood stippellijntje onder blijfkracht zet, maar wie weet, over een x aantal jaren…