‘Oh, by the way, which one’s Pink?’

Ik zal al pielend met een nieuw reverb-pedaal wel een beetje David Gilmour-achtig hebben geklonken, onlangs in de oefenruimte. Onze drummer begon namelijk na een lange jam ineens over een Pink Floyd-nummer dat ik eigenlijk nog niet echt kende. Het ging om Have a Cigar: een cynische, ruim vijf minuten durende tirade tegen het archetype van de gierige platenbons, verpakt in licht psychedelische bluesrock met een synthesizer-sausje.

Het lied staat op het album Wish you were here uit 1975 en was daarop eigenlijk een buitenbeentje. Bijna de hele rest van de plaat was één lange ode aan gevallen held en oer-bandlid Syd Barrett, maar in Have a cigar gaat het overduidelijk alleen over de periode tussen pak hem beet het eclatante succes van doorbraakplaat Dark Side of the Moon en het plannen van het album dat later Wish you were here zou worden.

Luisterend naar de tekst waan je je in een protserig platenbazenkantoor anno 1974 en hoor je een man in een iets te duur pak aan een paar beteuterde – door het plotselinge succes overvallen – voormalige artistieke alto’s uit de 60’s een sigaar aanbieden die staat voor een duivelse deal waaraan de man in het pak uiteraard onevenredig veel geld gaat verdienen; geld dat eigenlijk voornamelijk in de zakken van de voormalige alto’s zou moeten verdwijnen.

Maar wat blijft er over van dit bijtende cynisme als de mannen in kwestie (inmiddels zijn er nog maar drie over trouwens; toetsenist Richard Wright overleed in 2008) driedubbel dik miljonair zijn geworden met alle legendarische muziek die ze gemaakt hebben? Deze kritische retorische vraag komt niet van mijzelf, maar van drie mensen op het fantastische songtekst-platform Lyrics Genius.

In een bijdrage van de users Gremal, Avi, en Zille (een gedicht op zich) lees je:

It’s worth noting that, as much as the lyrics spoof and criticize the record executive, they don’t cast Pink Floyd in the greatest light, either. Here is a band that indeed did try to make it and succeeded. Their fans loved them. They became millionaires. And much of this was made possible by the record industry that Floyd now berates. There is an element of biting the hand that fed them and worse, of whining and self-pity from a group of millionaires who play music and explore self expression for a living. If record execs were as superficial as Floyd suggests, they would not allow themselves to be spoofed in this manner.

Maar wat bij alle fans en top 2000-kenners het meeste blijft hangen uit dit lied is toch wel de vraag die –  in de songtekst gesteld door de verwende platenbaas – symbool staat voor de desinteresse van de vrije markt-graaiers voor de wereld van de schone kunsten. De man in het te dure pak vraagt aan de inmiddels wereldberoemde band (band! niet: singer-songwriter!): ‘Oh, by the way, which one’s Pink?’ U en ik weten: er was niemand in de band Pink Floyd die daadwerkelijk die naam droeg, hoewel het wel degelijk een samensmelting was van twee obscure blueszangers, Pink Anderson en Floyd Counsil. Wie op het geniale idee kwam om die twee namen achter elkaar te zetten? Oer-gitarist Syd Barrett. Maar dat is een verhaal voor een andere keer.

 

Over de uitspraak van het woord ‘vanille’

Van de uitspraak van het woord ‘vanille’ kan ik ’s nachts wakker liggen. Niet écht natuurlijk, maar het leek me wel een pakkende beginzin.

Ik heb eigenlijk altijd ‘vaa-nie-juh’ gezegd en voor mijn gevoel is dat ook de correcte uitspraak. Toch hoor ik hier thuis meestal ‘va-niel-juh’ en dat vind ik dan weer een stuk minder klinken. Het klinkt een beetje als ‘ik verniel je’ en dat is gewoon niet iets wat je zegt als je iemand de liefde wilt verklaren of iets dergelijks. Ook als je een muntje voor de campingdouche nodig hebt, klinkt de vernielvariant eerder als een uiting van agressie dan van genegenheid of naastenliefde.

Dat gezegd hebbende, misschien kan hier nog verandering in gebracht worden door een of andere liedjesschrijver of taalvirtuoos. Ik kan me zomaar voorstellen dat een carnavalskraker ‘Ik wou een ijsje met vanielje (maar ik duwde, en toen viel je)’ tot de mogelijkheden behoort.

Columns schrijven

Maandagochtend. Ik probeer mijn derdeklassers uit te leggen hoe je een column moet schrijven en refereer nog even aan de les van een week geleden, waarin ik de leerlingen een soort bloemlezing liet lezen van alles wat er het weekend daarvoor aan columns in de bladen had gestaan. Dat er net een vreselijke aanslag in Nieuw-Zeeland was gepleegd en welk gedachtegoed de aanslagpleger aanhing. Toen wisten we nog niet wat er amper anderhalf uur later in Utrecht nog allemaal stond te gebeuren. En nu stonden de kranten vol met columns over ‘Utrecht’ en de monsterzege van FvD. Mijn leerlingen lijken aandachtig te luisteren en ik merk dat ik zelf pas opschrik uit mijn verhaal als de stoere jongen met de priemende ogen nieuwsgierig vraagt welke website dat dan is, waar al die jongeren Baudets subtiele verwijzingen naar rassenscheidingen direct gretig oppikken en met elkaar bespreken. ‘4Chan heet de bekendste volgens mij’, antwoord ik rustig. Tegelijkertijd gaan er allerlei gedachten door mijn hoofd. Wat als je ze dit soort info nou juist niet zou moeten geven? Hoeveel zin heeft het om altijd gematigd en objectief te blijven als docent? Vragen, vragen.

Blog-uitdaging nummer zoveel

Ik ga maar weer eens een blog-uitdaging aan: de komende week iedere dag een kort dagboekstukje.

Nu maar eens over vandaag, zondag 24 maart 2019.

Gisteren naar de dierentuin geweest met vrouw, zoon, zwager, diens partner en hun dochtertje (1 jr.). Was een leuke dag. Lunchen bij het pannenkoekenhuis bleek een brug te ver voor zoonlief (3,5). Hij heeft de hele weg naar huis gehuild en gekrijst omdat we besloten om de pannenkoeken te skippen (op basis van zijn gedrag).

Verder dit weekend heel, heel veel stukken over Forum voor Democratie en Thierry Baudet gelezen. Dat is smullen, maar op een verontrustende manier. Morgen meer. Welterusten alvast en gecondoleerd met de start van de nieuwe werkweek morgenochtend.