Albumrecensie: Glitterkots en de Nasmaak – Tenderised RAW Feelings

Glitterkots - Tenderised RAW feelings

Glitterkots en de Nasmaak – Tenderised – RAW Feelings

Ondanks verscheen bij ons van De Laatste IJsschots ineens een ouderwets cd’tje ten burele. Het ging om het eerste echte album van het elektronische duo Glitterkots en de Nasmaak. Nou luister ik normaal gesproken nooit naar elektronische muziek, maar wat deze heren maken kon mij toch zeker wel bekoren. Op de website van het duo omschrijft Glitterkots zijn muziek als een mix van acid, experimental, noisy techno met een analoge vibe. Amen. Ik heb geen idee of die omschrijving klopt, aangezien ik in geen van genoemde genres thuis ben, maar verrassend en eclectisch is het duo op Tenderised RAW Feelings sowieso.

Neem nu Cage, de tweede track op het album. Een groot deel van het nummer heeft het nog best een rustige, doch duistere groove, maar ongeveer op 4/5 (04:39) is daar ineens een vette, stampende technobeat die je eventjes lekker wakker schudt. De noise-kant van Glitterkots komt bijvoorbeeld boven in de eerste helft van het nummer 9to5beat. Net op het moment dat je denkt dat het nummer die titel niet verdient is daar (op 01:34) ineens die snoeiharde killer-beat, moddervet tot in zijn vezels.

Die aanstekelijke beat wordt vervolgens voortgezet in het nummer Snitches, dat met zijn laserpistoolgeluidjes een angstaanjagend SF-sfeertje neerzet. Het nummer Boozebruise is dan juist weer uitgesproken afwisselend, en toont aan het einde aan dat Glitterkots ook prima uit de voeten kan met een opzwepende breakbeat, waar je heerlijk in kunt ‘hangen’.

Teeth lijkt iets minder naar ‘oudere’ elektronische genres terug te grijpen en lijkt zelfs iets van een dub-step feel te hebben. Toch heeft ook deze track de onmiskenbare Glitterkots-signatuur doordat ook hier experimentele, immer veranderende prikkeldraad-noises nooit ver weg zijn. Op 01:36 zit trouwens een heerlijke overgang in dit nummer die niet zou misstaan op de betere experimentele dance-podia die ons land rijk is.

Op afsluiter A Storm Is Coming nemen de mannen wat gas terug (heerlijk ambient-intro!) en laten op die manier een andere, wat rustiger kant van zichzelf zien dan in de voorgaande tracks. ‘Filmisch’ en ‘spacy’ (niet Kevin!) zijn denk ik de beste omschrijvingen van deze heerlijke trippy track.

Kortom, als je geïnteresseerd bent in experimentele elektronische muziek (de heren improviseren eigenlijk alles met z’n tweeën, iets wat live ook verdomd goed lijkt uit te pakken, getuige bijvoorbeeld dit filmpje) die tegelijk dromerig, schurend en stampend is, dan mag je dit album eigenlijk gewoon niet missen.

Klik hier om het album op Spotify te beluisteren.

Uhhh…vergeet je voornaam niet!

De afgelopen week was er nogal wat te doen rondom een artikel uit de Quest, geschreven door vaste redacteur Elly Posthumus. Zelfs radio 2-dj Ruud de Wild besteedde er in zijn programma aandacht aan. De kwestie was deze: ondervinden mensen die een rare voornaam hebben gekregen daar in hun latere leven hinder van. Het antwoord is: ja.

Nu heb ik zelf een fascinatie voor (rare) namen, maar meestal betreft het hier de combinatie van voor- en achternaam die enigszins op de lachspieren werkt. Mijn eigen naam vind ik daar ook een goed voorbeeld van. Ik vind Willem Boon aan de ene kant dus een best normale naam en als ik mijzelf Google blijkt dat ook wel: er zijn nogal wat Willem Bonen.

Zo is er een scharrelvleesspecialist (heerlijk Galgje-woord) met mijn naam in Hendrik-Ido-Ambacht (wat ook op zichzelf weer een hilarische plaatsnaam is, trouwens), een voedseldistributiebedrijf in Sliedrecht, een Rotterdamse kunstschilder (1902-1986), een Texelse hardloper (als 51e geëindigd op de 5 kilometer) en ga zo maar door. Aan Facebook e.d. ga ik niet eens beginnen voor dit onderzoekje, want die site probeer ik  de afgelopen weken te mijden, sinds ik mijn eigen profiel verwijderde (ja, ik deed dat netjes op het moment dat Lubach had voorgesteld, nou en?).

Terug naar rare voornamen en naamcombinaties. Voor laatstgenoemde categorie hebben radio dj’s Coen en Sander veel betekend. Aanvankelijk kreeg de opvallendste combinatie jaarlijks een prijs voor beste schaamnaam, vanaf 2015 werden er ineens (onder invloed van het politiek correcte klimaat hier te lande?) geen schaamnamen, maar faamnamen genomineerd. Als je deze lijstjes niet te vaak checkt is het toch iedere keer weer gegarandeerd schaterlachen bij een aantal namen.

De laatste stap in deze cultus is dat je zelf mogelijke ‘grappige’ naamcombinaties verzint. Zo kwam ik zelf onlangs op Ben Tonny Vrolijk, een naam die zeker mogelijk zou kunnen zijn (ben de achternaam Vrolijk zelf al een aantal keer tegengekomen), maar volgens Google niet bestaat.

Helaas heb ik zelf geen kinderen, maar er zouden met mijn achternaam, Boon, toch ook wel wat schaam-/faamnaamcombinaties mogelijk moeten zijn. ‘Snij’ en ‘Sperzie’ zouden in dat geval waarschijnlijk niet mogen, maar volgens het Meertens Instituut zijn er in Nederland wel degelijk mensen die de voornaam ‘Tuin’, ‘Bruine’ of ‘Chili’ dragen. Kijk, dat biedt perspectieven.

Hoe het ook zij, Panter Fonny Miracle-of-Love vind zelfs ik hoe dan ook te ver gaan. Hoewel, misschien moet je met zo’n naam maar gewoon artiest worden o.i.d., want nadenken over een artiestennaam is in zo’n geval totaal overbodig.

Loebas

DSC02160

Het bordje naast de ingang is er een waar Signalering Onjuist Spatiegebruik zijn vingers bij zou aflikken. Op de heenweg had ik dankzij een opvallende gele Chocomelvlag al gezien dat hier, midden in een weids poldergebied, een etablissement gevestigd is, en nu, op de terugweg, besluit ik dat dit de plek moet worden waar ik mezelf beloon met een hapje en een drankje. De hond waar het bordje naar verwijst is waarschijnlijk een van de twee grote lichtbruine pas-maar-op exemplaren die ik zojuist op de oprijlaan heb gezien.

Normaal ben ik als de dood voor grote honden, maar gelukkig reed vlak voor mij een niet onaantrekkelijke dame die kennelijk ook besloten had haar fietstochtje te onderbreken voor een pauze op het zonnige, doch verder goeddeels lege terras. De honden hieven heel even hun kop om de vrouw een blik toe te werpen, maar namen daarna meteen weer hun lome luierhouding aan. Gelukkig, bij mijn passeren keken ze zelfs niet meer op of om.

De vrouw en ik stalden vrijwel gelijktijdig onze fietsen tegen het houten hek en er was een korte begroeting. Ook zij is vandaag zomers gekleed, maar waar ik een lange broek combineer met een zomers polootje, heeft zij juist een korte broek aan met daarboven een capuchontrui. Ze heeft zwartgeverfde haren en draagt een pony (een uitdrukking die je nooit letterlijk voor je moet zien, trouwens….ai, nu doe ik het toch!).

Als je het hier niet kent is het even wennen. De stad probeert, op een steenworp afstand van de ronkende ringweg, zijn bewoners de natuur in te lokken met van alles en nog wat. Vlakbij zie je een soort fietscrossbaan en een zogeheten basketbal-plak en het idee achter de door mij verkozen uitspanning – een soort uit de kluiten gewassen houten blokhut – is dat er voornamelijk mensen zouden moeten komen die gebruikmaken van de grote, hoekig aangelegde visvijvers achter het terras.

Ik ga naar binnen om iets te bestellen. De oudere man voor mij vertelt het meisje achter de balie dat alle twee de vorige keren dat hij en zijn vrouw hier waren er iets mis was met de koffie. Het is niet helemaal duidelijk waarom hij dit zegt. Als het een soort klagen achteraf is, is het nogal misplaatst, want waarom zou je als meervoudig ontevreden klant überhaupt terugkomen? Ondertussen is de niet onaantrekkelijke vrouw binnengekomen en drentelt onrustig achter mij door de ruimte. Ze gaat een keer naar het toilet en lijkt als ze terugkomt zo’n beetje ieder opvallend detail in zich op te nemen.

Als ik aan de beurt ben vraagt de serveerster wat ze voor ons kan betekenen en op het moment dat ik ‘wij horen niet bij elkaar, hoor’ zeg, wijzend naar de dame achter mij, besef ik meteen hoe onzeker zoiets klinkt op het moment dat je het zo snel, hard en overdreven uitspreekt. Ik bestel appeltaart met slagroom (had ik bij de oude meneer afgekeken) en een biologisch perensapje en begeef me naar het terras. Ik ga zo ver mogelijk naar achteren zitten, waar je het beste uitzicht hebt op visvijvers en vissers.

Net op het moment dat ik aan appeltaart en perensap wil beginnen gaat mijn telefoon. Ik zie dat het de directeur is. Na anderhalf jaar  heb ik nog steeds het gevoel dat ik iets verkeerd heb gedaan, op momenten dat hij belt. Nu valt dat gek genoeg mee. Ik probeer tijdens het gesprek zo relaxed mogelijk te klinken en merk dat dit misschien ook wel lukt omdat ik me daadwerkelijk relaxed voel.

Als ik heb opgehangen zie ik dat pony-dame net als ik helemaal achteraan op het terras is gaan zitten, maar wel een aantal tafels van mij verwijderd. Ze heeft ook appeltaart genomen, maar haar drankje is een cappuccino in een hoog glas; ongetwijfeld de reden dat het een heel telefoongesprek duurde voordat ze naar buiten kwam. Tussen het eten en drinken door beroert ze regelmatig haar telefoon. Ik besluit dat ik dat de rest van mijn verblijf hier even helemaal niet wil doen, om echt even goed te kunnen reflecteren op deze ochtend.

Als ik, al turend naar de vissers, al deze gedachten op een rijtje heb gezet, zie ik dat pony-mevrouw haar serviesgoed naar binnen heeft gebracht en het terras verlaat. ‘Dag!’, zegt ze. ‘Doeg!’, zeg ik terug. ‘Is er een verschil tussen dag en doeg?’, denk ik.

Hier nog even een foto van de ‘gevreesde’ loebas:

DSC02161

Graafmachines

DSC02084

Er is een graafmachine in de wijk! Een verademing voor zowel zoonlief (2,5) als papa (37,5), want met zo’n ding hoef je niet meer na te denken over wat te doen op een saaie dinsdagochtend.

Voordat mijn zoon geboren werd dacht ik niet zo na over wat kleine jongetjes boeit. Die zullen wel van autootjes en voetballen – misschien later ook computerspelletjes – houden. Dat hun passies veel specifieker zijn en dat een zo’n klein mannetje al een voorkeur heeft voor grote bouwapparaten, daar was ik me eigenlijk niet van bewust.

Toen zijn graafmachine-obsessie eenmaal aan het licht kwam, was het simpel om zijn honger te stillen. Allerlei familieleden bleken nog wel zo’n Bob de Bouwer-geval met schattige oogjes over te hebben en in de bieb zijn er al leerzame graafmachine-boekjes voor kindjes vanaf twee jaar. En omdat je nou eenmaal braaf alle tekst voorleest uit zo’n boekje zodra je merkt dat je spruit dat leuk vindt, weet hij binnen de kortste keren het verschil uit te leggen tussen een dieplepelbak en een schalengrijper (woorden die de spellingscontrole niet eens herkent) en zelfs dat een bulldozer met wielen (geen rupsbanden!) niet bulldozer heet maar shovel.

Vandaag zijn er drie mannen een halve straat aan het openbreken. Er is een jonge graafmachinechauffeur die niet te beroerd is wat dingen over zijn spannende beroep te vertellen (op de plek waar ze aan de snelweg werkten kon hij alleen onder een viaduct door als hij zijn graafarm volledig strekte, een hachelijke onderneming, aldus de jongeman), een besnorde veertiger met een Pakistaans uiterlijk die het graven in goede banen leidt en een lange, ervaren kiepautochauffeur. Op de momenten dat de kiepauto door de graafmachine gevuld wordt met stenen heeft laatstgenoemde niks te doen, waardoor ik me allerlei dingen afvraag over het onbenut laten van arbeidskracht.

Even later vang ik een heel klein brokje van hun gesprekken op, staande aan de andere kant van de straat. Snorremans vertelt de andere twee mannen dat hij binnenkort op Spitsbergen gaat wonen. Een vervreemdende gedachte voor zowel de twee Hollandse collega’s in het gezelschap als de stiekeme toeschouwer. Een Pakistaanse stratensloper op Spitsbergen: daar zit een boek in.

Sijs(je) (3)

nicoline

Gisteren plaatste ik een foto van een saucijzenbroodje en meteen gingen mijn taal-obsessieve radertjes draaien en kwam de vraag ‘saucijs, waar komt dat woord nou weer vandaan??!’ onherroepelijk op. Tsja, als je eenmaal hebt ontdekt dat etymologie – de herkomst van woorden – een van de leukste gebieden van de taalkunde is, kom je daar nooit meer van los. En laat bovenstaande mevrouw nou net de absolute koningin van de etymologie van het Nederlands zijn, dan snap je dat het Sijzen-cirkeltje van de afgelopen dagen nu dan echt rond is. Het zou me niks verbazen als ze zelf op wonderbaarlijke wijze toch nog een link tussen haar eigen achternaam, het worstenbroodje en het schattige vogeltje weet te leggen. En nou hoor ik je denken ‘ja, maar saucijs is toch verwant aan het Franse saucisson – worstje – dat op zijn beurt weer het Engels sausage heeft opgeleverd?’ Nee, maar dat is nou juist het leuke aan etymologie: het zit altijd allemaal uiteindelijk toch weer nét even anders in elkaar dan je verwacht had. Wacht ik ga Nicoline meteen even bellen om het te becijzen, ehhh… bewijzen.