Gedachte-experiment

Gedachte-experiment (toegegeven, je hebt hem vast vaker langs zien komen, het afgelopen halfjaar): ga naar de supermarkt en sluit heel even je ogen. Stel je nu voor dat je in diezelfde supermarkt loopt, maar dan precies een jaar geleden.

Het is oktober 2019. Alles is hetzelfde: de schappen met dezelfde producten staan op dezelfde plaats, de vakkenvullers en kassamedewerkers zijn dezelfde mensen die dezelfde bedrijfskleding dragen, de klanten zijn dezelfde mensen van wie hooguit een enkeling blijk geeft van een ge-updatete kledingkast. Maar die kleine vetschillen zijn verwaarloosbaar; voor het overgrote deel is de wereld om je heen onveranderd.

Doe nu je ogen weer open. Het is dezelfde supermarkt met dezelfde mensen, maar er is één groot verschil: een groot deel van de mensen hier draagt een of andere vorm van mond- en neusbekleding. Het is alsof je in een niet al te dure (het belangrijkste ‘special effect’ bestaat uit kleine lapjes stof) aflevering van een of andere science fiction-serie bent beland. Denk Twilight Zone of, actueler, Black Mirror.

Maar het feit dat veel mensen die gezichtsbedekking dragen an sich is natuurlijk niet het belangrijkste van de tijdsschok. Dat is het feit dat er mensen zijn die haar níet dragen. Yuval Noah Harari vatte het zo goed samen in zijn bestseller Sapiens: ondanks alles wat de mensheid in zijn nog maar zo korte bestaan voor elkaar heeft gekregen is er één zeurende eigenschap verbluffend constant gebleken: door de hele geschiedenis heen zijn we verdomd hardnekkige wij-zij-denkers gebleken.

Ga maar na. Nog maar een maand geleden hoorde je, net als ondergetekende, waarschijnlijk bij het overgrote deel van de bevolking dat er niet over piekerde een mondmasker te dragen in de supermarkt. En nu, eigenlijk niet eens zo heel veel later, draag je er ineens één bij ieder bezoek en het besef je tot je eigen verbazing dat het na een tijdje niet eens meer zo raar aanvoelt.

Maar wat wél raar aanvoelt: het lichte onbehagen dat je bekruipt als je je realiseert dat je je ergert aan de blootgezichten. Waarom doen zij, ondanks alle oproepen tot solidariteit in de strijd tegen het virus, níet mee? Natuurlijk, je hebt heus wel door dat een bepaalde vorm van hypocrisie je niet vreemd is als je jezelf dit gevoel van ergernis toestaat, maar toch. Hoe erg je ook kunt beweren dat je niet snel meegaat in polarisatie (is die écht zoveel groter in ónze tijd dan in de afgelopen millennia?), voor even heb je dan in elk geval de wereld voor jezelf opgeruimder en begrijpelijker gemaakt, met dank aan een indeling in slechts twee categorieën: gemondkapten [ goed! 🙂 ] en blootgezichten [ fout 😦 ] Niks menselijks is mensen vreemd.

Veertig

Een paar dagen geleden ben ik veertig geworden. Dat leek me altijd een enorme mijlpaal, maar nu ik hem eenmaal bereikt heb, valt dat eigenlijk bar tegen. Of eigenlijk valt het juist enorm mee, het is maar hoe je er tegenaan kijkt.

Mijn dertigste verjaardag was eigenlijk veel spannender. In de zomervakantie die aan die verjaardag voorafging, besloot ik out-of-the-blue (zoals alleen nog-net-twintigers dat kunnen, iets out-of-the-blue besluiten) om in een paar dagen om het IJsselmeer heen te gaan fietsen. Tegen de klok in, voor de nieuwsgierigen onder jullie.

Een geschikte fiets had ik helaas niet. Veel geld ook niet, dus moest de bedevaart maar geschieden op een voor een prikkie gekochte, verrotte oude kinder-mountainbike met vier versnellingen, waarvan maar twee het daadwerkelijk deden. Het hoofddoel van mijn tocht was het nadenken over een onlangs in de kroeg opgedane scharrel die maar niet uit mijn hoofd wilde. Nu, tien jaar later, is die scharrel er nog steeds en mogen we ons de trotse bezitters van een zoon, een huis, een Toyota Prius en een Babboe-bakfiets noemen.

Met die kinder-mountainbike liep het trouwens veel slechter af. Hij bleek niet meer op de plek te staan waar ik hem achtergelaten dacht te hebben. Toen ik het sleuteltje ook nergens meer kon vinden, wist ik wel hoe laat het was.

Nep

Ik had al zo’n vermoeden en dat vermoeden werd vanochtend door een oplettende stukjesschrijver op de achterpagina van de Volkskrant bevestigd: er zit (soms) neppubliek bij coronawedstrijden uit de verschillende hervatte voetbalcompetities. Ik zapte toevallig onlangs langs een verslag van zo’n wedstrijd en tot mijn verbazing hoorde én zag ik publiek. Dat kan niet waar zijn, dacht ik, en dat blijkt dus te kloppen: het ís niet waar. Om de kijker niet te deprimeren met de aanblik en oorverdovende stilte van een leeg stadion hebben tv-makers ervoor gekozen om beide hier en daar te vervangen door eerder opgenomen geluid en (listig gephotoshopt) publiek. Zíe je wel! Dacht ik het niet!

Maar even serieus. Zelf ben ik ook niet brandschoon op dat gebied. Hoeveel lessen heb ik de afgelopen tijd niet eenzaam en alleen zitten geven, op mijn tot werkkamer gebombardeerde overloop? En bij hoeveel van die lessen was daadwerkelijk mijn tot werkkamer gebombardeerde overloop te zien, inclusief armetierig wegkwijnende zebraplant (‘Waarom doét ie nou toch nergens goed in dit nieuwe huis??!’), gedateerd meisjeskamer-logeerbed (jaren ’80) en rommelhoek met gootsteentje en kraantje? Misschien drie keer, en meestal loste ik deze pijnlijke inkijk in mijn privéleven dan alsnog snel op door er een fake klaslokaal, fake zandstrand of fake Super Mario-landschap in te gooien. Nee, zolang we technologie gebruiken, zal de nepheid (ik lees: nèhfeit) voor een ieder in de 21ste eeuw binnen handbereik blijven, en zelfs de meest sceptische blogger gaat niet vrijuit.

Afbeelding: de bekende virtuele achtergrondjes die te gebruiken zijn bij beeldbellen

Dansen in de modder

Jarenlang bleef Daniël Lohues voor mij de man die het met een klein bandje (drums, bas, zang/gitaar), zingend in de taal van zijn geboortestreek (Drente) voor elkaar kreeg om een bepaalde editie van Lowlands in de jaren ’90 – ik weet niet meer welke – compleet te domineren, al was het maar doordat er geen plekje op het festivalterrein te vinden was waar je het logo van de band, Skik geheten, níet tegenkwam. En natuurlijk was en is Skiks grootste hit Op fietse een geniaal liedje. Er zijn zoveel meer mensen die dat lied kunnen meezingen dan dat er mensen zijn die werkelijk weten wat er gezongen wordt. Maar, zoals gezegd, bij die ene hit bleef het jarenlang voor mij, wat betreft kennis van en liefde voor de band Skik en zijn charmante frontman.

Dit alles veranderde toen ik in 2011 op een regionale Brabantse zender het lied Van leege noar hooge hoorde, het eerste nummer van Lohues’ vijfde soloplaat Hout moet. Zelden heb ik bij een eerste luisterbeurt van een liedje dat meteen alles klopt: de tekst, de melodie, het arrangement, de instrumentatie, noem het maar op. Maar hoe Lohues hier de eeuwige cadans van het leven bezingt (van somber naar blij, van laag naar hoog) ging via een directe verbinding rechtstreeks mijn ziel in.

De jaren daarna bleef ik zijn albums volgen en wat opviel was de constante kwaliteit ervan. Goede liedjes met behoorlijk wat afwisseling en altijd gemaakt door iemand die precies weet wat hij doet en die ook nog eens verschillende instrumenten (gitaar, piano, mandoline) tot in de puntjes beheerst. Niet zelden tref je bij Lohues’ pianoliedjes akkoordenwisselingen aan die je verder alleen in klassieke muziek tegenkomt. Als hij liedjes schrijft die middeleeuws aandoen lijken ze de sfeer van een verder nooit in audio en video vastgelegde tijd bijna feilloos op te roepen. Ik ken niemand anders in Nederland die dat kan. En o ja, ik geloof dat mijn Drents dankzij zijn muziek inmiddels echt van een aardig niveau is.

Op 28 februari 2020 verscheen alweer het 14e soloalbum van Daniël Lohues. De plaat heet Sowieso en bevat sowieso al één geweldig nummer voor deze rare tijd: Dansen in de modder. Luister en geniet.

 

 

‘Is it a crisis or a boring change?’

Sommige zinnen uit popliedjes zijn zo briljant dat ze je op ieder willekeurig moment in je leven zomaar te binnen kunnen schieten. Ik had dat de afgelopen twee weken af en toe met het (vraag)zinnetje ‘Is it a crisis or a boring change?‘. Het moet te maken hebben gehad met het feit dat het woord crisis via allerlei kanalen ongeveer 35000 keer per dag tot je komt. Pas bij de tiende keer besefte ik ineens van wie het afkomstig was. Het is bedacht door Stephen Malkmus, zanger/gitarist/songschrijver/frontman/poëet/icoon van de legendarische 90’s indie-rockband Pavement.

Flashback naar de 90’s. Mijn eerste grote liefde heeft het – na een filmavondje in mijn ouderlijk huis met allerlei vrienden (we keken The Mask, of Ace Ventura: Pet Detective, of allebei, in elk geval was het een film met Jim Carey in de hoofdrol) – net uitgemaakt en omdat ik niet kan slapen besluit ik maar een onlangs van een vriend geleende – maar nog niet beluisterde – cd in de cd-speler te doen. Het is Wowee Zowee derde studio-album van Pavement. De muziek vult mijn hoofd en hele lijf met troost, al weet ik niet precies waarom. Echt welgevormd klinkt ze namelijk niet. De zanger zingt onmiskenbaar vals, de gitaren fladderen alle kanten op en staan overduidelijk in allerlei alternatieve stemmingen gestemd, nummers hebben vaak geen couplet en refrein, geen kop en staart, behalve vierkwarstmaten komen er ook allerlei andere maatsoorten voor in voor (waarvan de 6/4 mijn nog het meeste als Pavement-achtig bijblijft) en – last but not least – de teksten zijn nu eens aards en alledaags en dan weer onbegrijpelijk metafysisch en dichterlijk. Kortom, dit moet wel de raarste band zijn die ik tot dan toe ontdekt heb in mijn nog prille leven.

Flashforward naar driekwart jaar later. Ik lig met een zware keelontsteking dagenlang in het bed van mijn ouders en zie de datum dat ik mijn inmiddels lievelingsband live in Paradiso in Amsterdam zou gaan zien, 4 april 1997, angstig naderbij komen. Als de dag daadwerkelijk aanbreekt heb ik nog steeds verhoging en lig ik nog steeds met die keelontsteking in dat bed. Tot mijn grote verdriet moet ik het concert missen. Schrale troost: mijn eerste grote liefde en ik zijn zo zoetjes aan weer bij elkaar gekomen en de dag van het concert komt ze me troosten aan het bed van mijn ouders, alle waarschuwingen over besmettelijkheid in de wind slaand.

Pas twee en een half jaar later zie ik de band alsnog live in 013 in Tilburg. Niet veel later gaat Pavement uit elkaar, maar gelukkig is er een fantastische reunietour in 2010 die de band ook weer naar Paradiso in Amsterdam brengt. Ik ben er bij en geniet met volle teugen van het optreden, af en toe terugdenkend aan het dertien jaar eerder gemiste optreden.

Anno 2020 is Stephen Malkmus actiever dan ooit. Na Pavement bracht hij zeven platen uit onder de naam ‘Stephen Malmus & the Jicks’ en 6 maart jongstleden verscheen Traditional Techniques, zijn tweede ‘echte’ soloplaat na het vorig jaar verschenen slaapkamer-experiment Groove Denied. En alsof dat allemaal nog niet genoeg is heeft hij ook aangekondigd weer met Pavement te gaan optreden.

‘Is it a crisis or a boring change?’ Laten we voor het relativerende antwoord gaan: een saaie verandering. Crisis is een irritante grootse term. In saaie veranderingen daarentegen zit de sleur en alledaagsheid die ons leven kenmerkt en die ons uitdaagt om er waar mogelijk een artistieke en poëtische draai aan te geven.

Rest mij niks ander dan jullie naar de oorspronkelijke songtekst te verwijzen waar het zinnetje uit komt. En toch maar even het nummer en de clip. (Het nummer Gold Soundz stond trouwens niet op het eerder genoemde album Wowee Zowee, maar op zijn voorganger, Crooked Rain, Crooked Rain)