Kerstvakantie

En dan is het ineens kerstvakantie en mag je zomaar even een dagje de stad in. Wat doe je dan met die onverwachte weelde? Heel veel twijfelen, zeker als je net bezig bent in Nooit meer te druk, het bekende zelfhulpboek van Tony Crabbe. Die schrijft dat je zoveel mogelijk moet voorkomen dat je constant aan het werk bent.

Maar ja, wat als je nou juist in de vakantie nog een belangrijke deadline hebt en je heel blij bent als je op de eerste dag even helemaal weg kan, zodat je dan al even je tanden kan zetten in het werk dat toch ergens in die twee-weken-durende ‘zee van vrijheid’ af moet? Dan probeer je zo goed en kwaad als het gaat maar eens wat Crabbe-wijsheden met elkaar te combineren. Dus wél een boek mee, zodat je ergens op een rustig plekje lekker uren kan lezen en de tijd vergeten, maar toch ook maar die laptop (sorry, Tony!) in de rugzak, omdat ieder café tegenwoordig wifi heeft, en het ook wel lekker is om dat eerder genoemde beginnetje aan het deadlinewerk vast te maken. Daartegenover kan dan weer het – na een kwartier tobben bij de kassa (sorry, Tony, het moést gewoon weer beredeneerd, betwijfeld en afgewogen worden!) – gekochte bioscoopkaartje gesteld worden, dat straks anderhalf uur niet werken (maar daarmee helaas niet gegarandeerd anderhalf uur lang niet aan werk denken) zal opleveren.

Sorry voor dit vre-se-lijk saaie 2018-blogje, maar wat vakantie mij dus ook oplevert: zin om te bloggen én tegelijkertijd de lichte stress van ‘dus-nu-moet-er-iedere-dag-wel-een-blogje-vanaf-kunnen’.

Mocht ik na vandaag bovengenoemde streven nog hebben, dan is de kop er in elk geval af!

De film in kwestie is trouwens Bohemian Rhapsody; alle andere films die draaiden hadden iets melodramatisch in het verhaal en hoewel het verhaal over de rockband Queen en zijn inmiddels overleden frontman dat ongetwijfeld ook heeft, kun je bij niets zo lekker wegdromen als bij muziek.

 

nooitmeertedruk

bohemian rhapsody film

De slimste mens

Het blijft een fijn programma. Al was het maar omdat:

  1. met louter het geluid (dus geen beeld!) op de achtergrond je er nog steeds prima nakijkwerk bij kunt verrichten

    en

  2. Philip Freriks waarschijnlijk de enige presentator ter wereld is die het woord ‘plasseks’ kan uitspreken zonder dat ook maar iemand zich er ongemakkelijk bij voelt.

(NB de betreffende vraag ging natuurlijk over Patty Brard)
(NB2 ik beloof dat dit de enige vermelding van Patty Brard zal zijn op dit weblog)

 

Seks en dood

Wanderlust

Je hebt goede kunst over seks, je hebt goede kunst over de dood en je hebt heel goede kunst waarin beide thema’s optimaal samenkomen. De Engelse zesdelige serie Wanderlust valt wat mij betreft in die laatste categorie. Ok, een hoop van wat deze serie te bieden heeft, heb je al duizend keer gezien (uitgeblust vijftigers-echtpaar met puber- en post-puberkinderen probeert zijn huwelijk nieuw leven in te blazen door met elkaars medeweten met ‘derden’ te vozen), maar op haar beste momenten weet ze je tot aardig ver in je ziel te raken.

Twee originele aspecten wil ik daarbij in het bijzonder aanstippen.

  1. Maar al te vaak zijn dialogen in series en films nogal onrealistisch lineair van aard. We weten allemaal dat we in het dagelijks leven zo duidelijk niet met elkaar communiceren. Menigeen breekt in een conversatie de ene na de andere zin al af alvorens die goed en wel beëindigd is. Zo niet de personages in Wanderlust. Die praten bij vlagen hakkelend, raadselachtig en schurend, vooral op de momenten dat ze emotioneel met elkaar en zichzelf in de knoop zitten.

    Dit dialoog-realisme komt in de voorlaatste aflevering tot zijn hoogtepunt, als de vrouwelijke hoofdpersoon van de serie (zelf relatietherapeut van beroep) in een 50-minuten durende sessie met haar eigen therapeut er de ene raadselachtige halfzin na de andere uitgooit. De manier waarop die therapeut er vervolgens chocola van maakt, wekt bij de kijker zowel bewondering als verbazing op.

  2. Naast het genoemde personage van de therapeut-van-de-therapeut komt een flink aantal andere ‘bijfiguren’ in deze serie uitstekend uit de verf. Zo zijn daar de vrouwelijke collega-docent op wie de mannelijke hoofdpersoon verliefd wordt, de jeugdliefde van zijn echtgenote, de passief-agressieve knappe jonge client van de relatietherapeut (die iets krijgt met haar oudste dochter, die zelf eveneens een intrigerend personage is) en niet te vergeten de puberzoon en de -net-geen-puber-meer lesbische middelste dochter.

Zoals bij zoveel goede eerste series hink je ook na het zien van deze weer op twee gedachten:
– ik hoop dat ze er nog één maken!
en
– het is precies goed zo; maak er asjeblieft niet nog één!

Deliverance

Het is al weer een tijdje geleden dat ik een film besprak hier op De Laatste IJsschots, dus hup, vooruit, gooi ‘m er maar in!

De jaren ’70 worden ook wel gezien als de Golden Age of Film en dat is voor dat decennium wel fijn, want verder schijnen we de 70’s vooral zo snel mogelijk te moeten vergeten. Harry Mulisch zei al eens dat er in de jaren ’70 niets, maar dan ook echt niets gebeurde wat de moeite waard was, maar hij was dan zelf waarschijnlijk ook bepaald geen filmkenner. Ten minste, ik kan me weinig voorstellen van Mulisch die in de rij staat in de bioscoop voor klassiekers als Jaws en Star Wars, dus van die Golden Age of Film zal ie in die jaren weinig mee gekregen hebben.

Enfin, waar wilde ik het over hebben? O ja, een absolute must-see-film uit de jaren ’70, namelijk Deliverance. Deze film stond al zo lang op mijn lijstje om te kijken dat ik onderhand al 28 keer op het punt had gestaan om hem te kijken, maar er nooit daadwerkelijk aan toe was gekomen. Tot nu. En wat heb ik een spijt dat ik niet eerder ben gaan kijken.

Waar gaat Deliverance over? In het kort: vier mannen uit de grote stad gaan op het Amerikaanse platteland onderzoek doen naar een oeroude rivier. Het zou wel eens kunnen dat de rivier door de geplande bouw van een dam gaat verdwijnen, dus het is typisch een gevalletje ‘laatste kans’ voor de mannen. Echt onderzoek gaan ze niet doen, want uiteindelijk gaat het hier gewoon om een soort ritueel afscheid per kano. Twee mannen gaan in de ene en twee in de andere kano.

De vier personages zijn allemaal lekker verschillend gemaakt, zodat maximaal gebruik wordt gemaakt van alle psychologische spanningen die dit gegeven teweeg kan brengen. Er is een donkerharig macho-type met een reusachtig gespierd lichaam (Lewis, gespeeld door een jonge Burt Reynolds), een mysterieuze, gevoelige denker (Ed, gespeeld door Jon Voight, die er met vissershoedje en pijp in de mond een beetje uitziet als Johnny Depp in Fear and Loathing in Las Vegas; laatstgenoemde film verscheen ruim 16 jaar na Deliverance, dus Depp zal zich ongetwijfeld bij zijn rol als Raoul Duke door Voigt hebben laten inspireren), een gezellige dikkerd (Bobby, gespeeld door Ned Beatty) en een vrolijke, wat bangige gitarist (Drew, gespeeld door Ronny Cox).

De vier storten zich met hun stadse arrogantie op de gevaarlijke oer-rivier als onwetende eendenkuikens in een grote boerensloot. Als kijker weet je: dit kan niet goed gaan, en het gaat inderdaad niet goed. Natuurlijk zijn er meer van dit soort verhalen en films, maar wat Deliverance hiervan onderscheidt is fantastisch camerawerk, geweldig spel van de acteurs en een meer dan memorabele soundtrack (banjo!) en ga zo maar door. De naargeestigheid – alles wat mis kan gaan gaat uiteindelijk mis – doet ergens aan die van WF Hermans denken in het boek Nooit meer slapen. De scenes waarin een trillende John Voight met pijl en boog (de film zit vol verwijzingen naar het VS uit de tijd van de kolonialisten en indianen) aanlegt om te gaan schieten zijn minstens zo gedenkwaardig als gelijksoortige scenes in meesterwerken als The Deer Hunter (ook uit de jaren ’70) en het recentere Jagten.

Het verhaal verdween aanvankelijk in boekvorm in 1970 en werd geschreven door ene James Dickey. Hij tekende twee jaar later ook voor het script van de verfilming. Sommige schrijvers hebben kennelijk al bij het bedenken van een verhaal zo goed voor ogen hoe het er in verfilmde versie uit moet komen te zien dat ze alleen nog de juiste mensen nodig hebben om het te verbeelden. Dat geluk heeft deze James Dickey hier dus gehad, want wie Jon Voigt net als schrijver dezes eigenlijk alleen kent als vader van Angelina Jolie moet Deliverance gaan kijken om te zien waar deze man allemaal toe in staat was/is. Nee, wacht, ik leerde hem ooit kennen door een andere klassieker, Midnight Cowboy uit 1969, waarin hij een rol speelde waarmee hij zelfs een Oscar verdiende. Miskend is het talent van deze man dus zeker niet.

Deliverance

Toon

Vaste lezers van mijn blog weten dat ik geen Netflixer ben en het zelden tot nooit heb over series. Toch wil ik nu een lans breken voor een serie waar ik zeer van genoten heb. Het gaat om de Nederlandse cringe-comedy (zoek maar op wat deze term precies betekent) Toon, gemaakt voor abonnees van telecom-aanbieders die gelieerd zijn aan KPN (wij hebben thuis Telfort, maar kunnen het aanbod van KPN gewoon opvragen).

Toen er weer eens bijzonder weinig interessants tussen het ‘live’-aanbod zat zapte ik maar eens door de menu’s ‘terugkijken’ en ‘on demand’, toen ik bij laatstgenoemde menu ineens op de serie Toon stuitte. Na twee a drie afleveringen was ik verkocht. Helaas zijn er maar twee series van ieder acht afleveringen gemaakt (lengte per aflevering: 25 minuten), zodat je er met een beetje bingewatchen binnen no-time doorheen bent. Maar dan ben je wel 16×25 minuten aan inventief, gedurfd drama van Vaderlandsche bodem rijker.

Waar gaat Toon over? Over de sullige, sociaal onhandige circa-dertiger (gespeeld door Joep Vermolen, een film- en reclamecomponist (!) die voorafgaand aan zijn rol als Toon geen enkele acteerervaring had)  met nerdy hobby’s (gamen) en een nietszeggend freelance baantje als componist van reclamemuziekjes. Zijn leven lijkt zich in één grote impasse te bevinden tot in de eerste aflevering alles op z’n kop wordt gezet doordat zijn plotseling uit de VS teruggekeerde zus Elise een surprise-party organiseert voor Toon in diens eigen appartement. Dit feest lijkt voor Toon op weer een grote deceptie uit te draaien als hij – voor het blok gezet door zijn zus en de andere aanwezigen – met een gitaar en een microfoon gedwongen wordt om muzikaal en spontaan te doen (zijn zus heeft de hele avond over Toons muzikale kwaliteiten zitten opscheppen). Er ontstaat met hulp van wat anderen (onder andere ‘love interest’ Nina, gespeeld door Amy van Weerden) ineens een lied dat gefilmd wordt met een mobieltje en op Youtube belandt. Ineens is ‘Toon, de ster’ geboren en wordt de anti-held van het ene bizarre verhaal in het andere geslingerd, de kijker net zo verbaasd achterlatend als zijn personage zelf.

Wat er in de overige vijftien afleveringen allemaal gebeurt is te bizar en grappig om in een enkel blogje te beschrijven, en eigenlijk is het de bedoeling dat je meteen na het lezen van dit stukje meteen zelf gaat kijken. De gekke situatie is dat de serie namelijk door allerlei kenners de hemel is ingeprezen (terecht, m.i.!) en door verschillende landen is aangekocht om een eigen versie van te maken, maar dat KPN er inmiddels wel officieus de stekker uit heeft getrokken. Er zal dus nooit een derde serie van Toon gemaakt worden.

Wat blijkt? Behalve Toon heeft KPN nog een paar andere dure dramaseries gefinancierd om te kunnen concurreren met on-demand-tv-bedrijven als Netflix en Videoland, maar omdat de kijker zijn weg naar deze series nooit helemaal heeft weten te vinden lijkt het voor al deze producties einde experiment. In het geval van Toon vind ik dat zeer spijtig.

Desalniettemin geven de belangrijkste betrokkenen (de eerder genoemde Joep Vermolen, regisseur Beer ten Kate en schrijver Dirk van Pelt) her en der in interviews aan dat ze blijven samenwerken en ook weer op en duur een nieuwe serie willen maken. Laten we het hopen dat wederom mensen het aan zullen durven om in dit drietal te investeren, want wat mij betreft verdient Toon een cult-status en waardering van een groter publiek die ik nu niet of nauwelijks terugzie op internet.

ToonToon (Joep Vermolen) en Nina (Amy van Weerden) in de voorlaatste aflevering van de tweede en laatste serie van ‘Toon’.

Cubaanse muziek

Het is de eerste zaterdag van september, +- 20:45, we zitten samen nog in de achtertuin en hoewel het een prima dag was qua weer voel je aan de vroege duisternis en de frisheid van de buitenlucht toch dat de zomer echt voorbij is. Natuurlijk, de weervoorspellers hebben laten weten dat er nog een echte Indian Summerweek aankomt, maar dat kunnen we ons op dit moment even niet voorstellen. Het is ook een lange dag geweest. Afgelopen woensdag werd mijn zoon 3 en ik 38 jaar. Ik betrap mezelf erop dat ik het verhaal van het mooiste verjaardagscadeau ooit eindeloos aan jan en allemaal wil vertellen, terwijl het me eigenlijk juist zo dierbaar is dat ik het zou moeten verzwijgen. (Dat laatste is me hierbij dus wederom niet gelukt…..;zucht.) Hoe dan ook, vandaag vierden we het en het was een heerlijke dag.

We besloten de ochtend samen door te brengen en pas ’s middags om 15:00 uur bezoek te laten komen. Zo ergens rond 10:30 trad de hangerigheid in bij mijn zoon en gingen we (vader en zoon) er met z’n tweeën op uit om taart te kopen. Toen we net onze straat uit waren en hij ‘ik wil naar de kinderboerderij’ zei, wist ik dat dat precies het juiste was om te doen. Het bleek er open dag te zijn, waardoor het plein was opgeleukt met een luchtkussen en een karretje met kinderboeken uit de nabijgelegen bibliotheek. Het luchtkussen liet hij helemaal links liggen, maar hij werd op slag verliefd op de twee nieuwe driewieler-trapfietsjes-met-kiepbak. Na drie kwartier heerlijk spelen gingen we twee taarten halen bij de Hema en in de auto beloofde ik hem al dat hij er sowieso één mocht uitkiezen. Helemaal verguld was hij uiteindelijk met de ‘Red Velvet’.

Tussen 15:00 en circa 20:00 uur is het één lange reeks van mega-indrukken voor de kersverse driejarige. Opa’s en oma’s, ooms en tantes, twee nichtjes van ‘1 jaar-min-een-paar-maanden’, een klein zenuwachtig kef-hondje en eindeloos veel grote en kleine cadeaus: het is een wonder dat hij uiteindelijk toch nog in slaap valt. Als vrouwlief en ik samen in de tuin zitten en de babyfoon eindelijk stil blijft horen we ineens luid en duidelijk ergens in de buurt een Cubaanse live-band spelen. Het klinkt fris, het klinkt aanstekelijk, dansbaar, het klinkt als iets waar je bij wilt zijn, zelfs als je een man van bijna veertig met iets teveel roseetjes en witte wijntjes op bent die eigenlijk naar bed zou moeten. De gedachte ‘ik moet weten waar de muziek vandaan komt’ verdring ik eerst nog, maar als mijn vrouw een paar minuten stil is en ik ook niks meer weet te zeggen besluit ik toch de fiets te pakken en op onderzoek uit te gaan. Wel heb ik even mijn vermoedens uitgesproken naar haar: ‘die half-chique straat hier vlak achter de bosrand, de golfclub, de camping ertegenover of even verderop in het bos-dorp.

Als ik even later van huis wegfiets – het is inmiddels helemaal donker – en de frisse avondlucht opsnuif weet ik dat dit de juiste keuze was. In bijna iedere straat zijn wel één of twee feestjes te bespeuren. Waarom? Wat is er met zo’n eerste weekend van september dat er zoveel feestjes zijn? Of is het het nog steeds lekkere weer of juist de voorspelling dat er nog weer lekker weer aan zit te komen? Vieren de mensen altijd extra veel feestjes als de zomer bijna voorbij is? Ik kom er niet achter, maar de feestjes geven deze avond iets magisch. Bij het ene huis klinkt vanuit de achtertuin ‘pubermuziek’, bij een ander huis kijk je dwars door het raam beneden aan de voorkant naar binnen en zie je zowel grijze mensen als jonge kinderen dansen en swingen op een oude net-niet-hit van Jamiroquai. Maar hoewel ik hemelsbreed juist dichter bij de Cubaanse muziek kom hoor ik er hier juist minder van. Misschien zitten de bomen aan de bosrand het geluid hier ook teveel in de weg. Ik besluit verder te fietsen om in elk geval de golfclub en de camping te checken.

Ik rijd de straat van de golfclub en de camping in en hoor dat eerstgenoemde locatie (rechts) in elk geval afvalt. Omdat de camping een vrij groot terrein heeft besluit ik in elk geval de oprijlaan uit te rijden om wellicht in de buurt van de slagbomen en de receptie te kunnen luisteren of de band wellicht bij het kantine-gebouwtje, centraal gelegen op het terrein, speelt. Helemaal achteraan op het parkeerterrein zit iemand in een auto televisie te kijken. Hij heeft goed hoorbaar en zichtbaar en voetbal aanstaan, en ik weet niet of het door de roseestjes en rode wijntjes komt, maar ergens geeft deze voetbalkijkende auto-kluizenaar me het gevoel dat ik de voeling met de tijdgeest al een tijdje kwijt ben. Het contrast tussen de onpeilbare eenzaamheid van dit tafereel en de lokroep van Cuba had bijna niet groter kunnen zijn.

Omdat ik het campingterrein als onbevoegde niet durf te betreden en toch het vermoeden heb dat de Cubaanse band niet hier, maar ergens in een achtertuin verderop speelt, besluit ik op mijn fiets mijn weg te vervolgen en verder om de camping heen te rijden. Onderweg wordt het verlangen deze band van dichtbij te zien en te beluisteren alleen maar groter, maar stemt het besef dat dit waarschijnlijk ongepast is me tegelijk enigszins bedroefd. Ik ben niet eens fan van Cubaanse muziek, maar het klinkt zowel tijdloos als iets totaal tijdgebondens, iets van een film, een band, een componist/gitarist waar ik nu in mijn hoofd even niet bij kan komen. Iets wat misschien 20 jaar geleden, toen ik op de middelbare school zat en de toekomst nog ongewis en beloftevol was, in de mode was.

Eindelijk kom ik erachter waar de band speelt, maar zoals ik al verwachtte kan ik hem niet aanschouwen. Er wordt gemusiceerd op een besloten feest in de achtertuin van een voor deze buurt niet eens zo heel protserige villa. Wat me dan weer tegenvalt: in de straat staat het niet eens helemaal vol met auto’s. Hoezo niet? Als je deze geweldige band uitnodigt om in je tuin te komen spelen heb je toch ook wel genoeg mensen uitgenodigd om te komen kijken? En als je uitgenodigd bent, en ze hebben je laten weten dat er een goede Cubaanse band komt, dan pak je toch de auto en ga je naar dat feest? Waar is het misgegaan? Het voelt oneerlijk. De bewoners/organisatoren van het feest zouden nu op straat moeten staan om toevallige voorbijgangers alsnog in hun achtertuin uit te nodigen, maar zoiets gebeurt hier kennelijk niet; niet in dit land, niet in deze buurt, niet in deze straat, niet bij dit huis.

Als ik even later thuiskom en mijn fiets in de schuur heb geparkeerd zie ik dat mijn vrouw nog niet naar bed is maar in de keuken nog wat restjes verjaardags-afwas staat te doen. Ik weet dat mijn mondelinge relaas warrig en veel te gedetailleerd gaat zijn en dat ik het beter voor mijn blog kan bewaren, dus ik besluit haar niks te vertellen over wat ik ontdekt heb (zoveel heb ik nou ook weer niet ontdekt) maar meteen over te gaan tot het typewerk. Mijn blog klaagt nooit over warrig, over hak-op-de-tak, over details die er niet toe doen, over teveel meninkjes die te persoonlijk en onbegrijpelijk zijn: mijn blog luistert gewoon. Als ze even later toch nog even komt zeuren om het verhaal lukt het me wonderwel om bovenstaande acht alinea’s in drie zinnen samen te vatten. Dat laatste lucht me dan weer op. Ze kijkt de twee enige filmpjes die ik vandaag van onze zoon heb gemaakt op de camera en moet er hartelijk om lachen. De dag is klaar.

Terwijl ik over de Cubaanse film, muziek, band, componist/gitarist schrijf, schieten alle namen me – als ware ik een Slimste Mens-kandidaat, ineens te binnen: Buena Vista Social Club, Ry Cooder, etc. Misschien is het tijd om daar alsnog verliefd op te worden. Maar dat er mensen zijn die gelijkwaardige klonen ervan kunnen uitnodigen zonder daar een waardig publiek voor te kunnen zetten, daar kan ik met de beste wil van de wereld niet bij.

Magnolia

DSC02150

De witte magnolia in onze voortuin bloeit. Een heel groot deel van mijn leven wist ik niet eens dat magnolia’s bestonden. Ik geloof dat de beroemde gelijknamige film mijn eerste kennismaking was met deze boom-/struik-/bloemensoort.

Die film mocht ik vlak voor de release trouwens zien bij een cursus filmrecensies schrijven in een klein bioscoopzaaltje, waarbij hij vakkundig werd ingeleid door de docent. Een mazzeltje, want zo’n film kijken met de geweldige achtergrondfeiten (o.a. dat zo ongeveer het complete verhaal zich als een soort visioen aan regisseur Paul Thomas Anderson geopenbaard  zou hebben toen hij  naar A Day in the Life van The Beatles luisterde) is een voorrecht. Omdat de film vol raadselachtige symboliek zit – op een bepaald moment vallen er spontaan kikkers uit de lucht – schreeuwt hij om extra uitleg en encyclopedische feitjes, waar de meeste kijkers helaas nooit van op de hoogte zullen raken.

Onze witte magnolia heeft zo zijn eigen verhaal. Hij werd gelijktijdig aangeschaft met een kleiner, roze zusje en lange tijd stonden beide magnoliae in grote potten in een hoekje van de achtertuin. Ik vond dat ze een mooie plek in de voortuin moesten krijgen, want de prachtige grote bloemen verdienen niet minder dan door iedere langs struinende NS-wandelaar en langs zoevende fietstoerist gezien te worden. Maar de vrouw des huizes had het idee dat we onze dure huurwoning snel zouden gaan verruilen voor een ‘voordelige’ koopwoning, die op z’n minst ook een tuin moest hebben. Dan zouden de magnolia’s direct vanuit de pot de nieuwe tuin in kunnen. Ach, en zoals dat bij zoveel aspirant-starters (ik vind eigenlijk dat je pas starter genoemd mag worden als er daadwerkelijk sprake is van een aankoop) op de woningmarkt gaat: van uitstel komt afstel. Dat is maar goed ook, want die markt zit muurvast en voor de prijzen die je nu ziet op Funda kunnen en willen wij in onze regio even niet aan kopen denken.

En zo kregen de witte en de roze pronkstruiken anderhalf jaar geleden toch hun welverdiende plekje in de voortuin en hebben ze daar vorig jaar al een keer prachtig gebloeid. De witte bloeit het eerst en heeft grote knoppen die je eigenlijk al vanaf de herfst ziet zitten. De roze heeft kleinere knopjes die je pas in de aanloop naar de lente aan de takken ziet verschijnen. Zij gaat pas bloeien als de witte haar blaadjes al lang en breed over de tuin en de stoep heeft uitgespreid.

Vandaag zag ik, fietsend door ‘gewone’ woonwijken met ‘gewone’ huizen als het onze, een paar voortuinen met witte magnolia-struiken. ‘Een struik voor iedereen!’, dacht ik en voelde me extra content toen ik onze eigen struik bij thuiskomst weer aanschouwde.