Thiomargarita magnifica 

Ja sorry, er blijven maar interessante wetenschappelijke fenomenen met rare namen in het nieuws komen. Ik kan het dan gewoonweg niet laten om daar flauwe, ondoordachte blogjes aan te wijden.

Nu is er dus ineens een bacterie ontdekt die werkelijk alle eerdere aannames over de maximale grootte van bacteriën naar de wetenschappelijke schroothoop verwijst. Het gaat om Thiomargarita magnifica, ook wel reuzenbacterie genoemd. In mijn eigen krant kwam een VU-bioloog aan het woord die het had over ‘een eigenaardige knakker’ en ‘een soort giraf onder de bacteriën’. De vergelijking met het bizarre langnekkige Afrikaanse zoogdier spreekt mij misschien nog wel het meest aan. Ze, de biologen, denken dus dat het ding vooral zo groot kan zijn doordat ie zo langgerekt en dun is geworden. Aha.

Naar goed ijsschotsgebruik hieronder een quasi-poëtische ode aan de girafbacterie.



Thiomargarita magnifica
Ik las je in de krant en dacht:
‘Dát is een rare naam voor een pizza!’

Oumuamua

Dit is ‘m dan: Oumuamua. Een soort leistenen scherf die door de ruimte zweeft. Ik vind dat we ‘m een mooie naam hebben gegeven, wij mensen. Ook is het razendknap dat we ‘m überhaupt kunnen gaan onderzoeken, want hij is nogal een eindje van onze eigen aardbol verwijderd. Om precies te zijn: 24200000 kilometer. Dat zijn nogal wat heen en weertjes naar onze lievelingscamping in Frankrijk, kan ik je vertellen. Om Oumuamua te vieren zal ik hier een versje wijden aan deze indrukwekkende ruimterots.

Oumuamua
Oh, Oumuamua
We doen het je niet zomaar na
Zwevend door het universum
Als Van Persie in Salvador, Brazilië
Ik zocht naar een vergelijking, zie je,
Tussen jou en ons nederige mensen
Maar dat is niet te doen.
Dus ik laat het maar bij deze ene poging.

Hans Teeuwen – Stefano Keizers

Hij had het gewoon moeten doen, Hans Teeuwen. ‘Wat dan?’, hoor ik je vragen. Nou, zijn meest recente show Stefano Keizers noemen natuurlijk! ‘Oh, en waarom dan?’ Omdat Stefano Keizers zijn meest recente show Hans Teeuwen noemde. Waarschijnlijk uit pure liefde voor het absurdisme, aangezien er nergens in zijn voorstelling ook verder maar iets over Hans Teeuwen gezegd wordt, naar het schijnt. Geweldig!

Hans Teeuwen liet echter een enorme kans liggen. Hij verzuimde om, evenals Keizers, zijn eer te betuigen aan datzelfde absurdisme waaraan hij zoveel te danken heeft. Wat deed Teeuwen? Hij noemde zijn voorstelling Nou lekker dan. Jammer, temeer daar Keizers (echte naam Gover Meit) gisteren bekendmaakte dat hij afscheid neemt van de naam Stefano Keizers.

Nou ja, misschien dat Teeuwen vriend en vijand ooit nog eens verrast, door, ergens in 2033 – als iedereen Gover Meits oude alter ego al lang vergeten is – zijn nieuwste show alsnog de naam Stefano Keizers te geven. Ja, dat zou wat zijn!

Bert-Jan

Zoon (6), starend naar een landkaartje in de krant: ‘Papa, hoe spreek je dit uit?’ Vader: ‘Berdyansk? Dat is een grappige plaatsnaam. Hij klinkt een beetje als de Nederlandse naam Bert-Jan.’ ‘Maar papa, oorlog ís helemaal niet grappig!’

Toki Pona (lett.: ‘de goede taal’)

Als je in donkere tijden op zoek bent naar een klein lichtpuntje, heb ik een goede tip voor je: lees dit artikel. Daarin vertelt hoogleraar Nederlands en Talige Communicatie Marc van Oostendorp je een verhaal waar je waarschijnlijk heel breed van gaat glimlachen. Het is het verhaal van Toki Pona, de vrolijke, aanstekelijke kunsttaal met steeds meer liefhebbers, in alle uithoeken van de wereld. Aangezien dit artikel in z’n geheel online te lezen is houd ik hier maar bij.

Muti olin!

Taalverandering: ‘gelijk’ vs ‘meteen’ (spoiler: gelijk is aan het winnen!)

Ik kan het (nog) niet hard maken, maar hier is mijn nieuwste, eigenzinnige hypothese: we kunnen het woordje ‘meteen’ zo langzamerhand wel ten grave gaan dragen. Wat is er aan de hand? In zowel spreek- als schrijftaal kom ik de laatste tijd voornamelijk het woordje ‘gelijk’ tegen, waar in het recente verleden ‘meteen’ werd gebruikt. ‘Dan kunnen we dat gelijk even bespreken’ hoor en lees je vaker dan ‘Dan kunnen we dat meteen even bespreken’.

Nogmaals, ik kan het niet hard maken, maar hé, van een taalkundige knuppel in het hoenderhok gooien is nog nooit iemand slechter geworden. (hùh??!!)

Maar wat maak ík nou eigenlijk?

Een glasblazer blaast glas
Een timmerman timmert hout
Een schilder brengt ergens een laag verf op aan,
Maar wat maak ík nou eigenlijk?
Een neerlandicus neerlandicust?
Een neerlandicus kust
Een neerlandicus kust de taal
Kust iedere dag even de wereld door te proberen haar met taal
te vangen, omvatten, bevatten, begrijpen, duiden, snappen, behappen. Etc.

Dat dus.

Sikkepit

Op zoek naar een onderwerp om over te schrijven kon ik niet anders dan even aan Maarten Biesheuvel denken. Ik lees op dit moment de geweldige gevonden verhalen, gebundeld onder de titel Vroeger schreef ik. Het lezen van Biesheuvel is als het eten van een heerlijk, onbekend gerecht dat je meteen inspireert om zelf in de keuken gaan staan om te experimenteren. Deze laatste zin overlezend denk ik: wat doe ik in godsnaam in de keuken?

Hoe dan ook, ik moest gisteravond na die vreselijke wedstrijd ineens denken aan het woord sikkepit. Het Nederlands is een heerlijke taal als je dingen wil formuleren als ‘Het kan me geen….schelen’ Ga maar na: je kunt eindeloos veel dingen op die puntjes invullen, van moeren, bouten, fluiten, en zieren (wat is een ‘zier’ eigenlijk?) tot, jawel, sikkepitten.

Wat kunnen we over de sikkepit vaststellen, alvorens we er onderzoek naar verrichten? Als we kijken naar bepaalde taaleigen patronen, moet het in elk geval gaan om een sikkige pit, en niet om een pittige sik. Een spookdiertje is immers een spookachtig diertje, en niet een dierachtig spookje, om maar een voorbeeld te noemen.

Maar wat is dan een sikkige pit/een pit met een sik? Geen idee, maar ik probeerde laatst een mangopit op te kweken tot een plantje (nog zonder succes overigens) en voordat je bij de echte pit komt heb je dan een enorm boon-achtig gevaarte uit die vrucht gehaald waar nog het nodige vruchtvlees aan zit. Met enige fantasie had het wel wat weg van een hoofd met een vlassige, sliertige sik eronder.

Wacht! Ewoud Sanders blijkt hier in 2003 iets over geschreven te hebben in de NRC:

‘…sikkepit is samengesteld uit de woorden sik in de betekenis `geit’ plus pit in de betekenis `keutel’. De oorspronkelijke betekenis is dus `geitenkeutel’.’

Een geitenkeutel dus. Als iemand je vraagt naar je mening over de uitschakeling van oranje kun je dus prima ‘Dat kan me geen geitenkeutel schelen!’ zeggen. Probeer het maar eens.

Blijfkracht

Ik kan me de eerste keer dat ik de Engelse term ‘staying power’ in het Nederlands gebruikt hoorde worden nog goed herinneren. Het was in een televisie-uitzending van de Nederlandse top 40. Erik de Zwart was daarvan de presentator en mocht de clip van de – niet al te beste – U2-single Electrical Storm aankondigen. Hij deed dat in zijn gebruikelijke, zwierige volzinnen, waarin hij memoreerde aan De Grote Vier popartiesten van de jaren ’80: Michael Jackson, Prince, Madonna en U2. Omdat hij van de eerste twee destijds (2001) weinig meer vernam, achtte hij daarmee de ooit door hemzelf in de jaren ’80 uitgewerkte theorie bewezen dat van De Grote Vier alleen Madonna en U2 échte ‘staying power’ hadden.

Sindsdien heb ik de uitdrukking aardig vaak voorbij horen komen in het Nederlands, wat me heeft doen besluiten om er maar eens een Nederlandse variant voor te verzinnen: blijfkracht. Klinkt lekker kort, maar toch (duh!) krachtig, het bekt lekker en sluit goed aan op al bestaande Nederlandse woorden zoals kleefkracht.

Op dit moment zie ik dat de spellingscontrole nog een rood stippellijntje onder blijfkracht zet, maar wie weet, over een x aantal jaren…