Corona vs. Covid(-19): mondiaal wint het eufemisme (maar in Nederland niet!)

Zou het kunnen dat we een minder eufemistisch volkje zijn dan we zelf denken? De afgelopen jaren zijn er nogal wat bewegingen geweest richting een Nederlands waarin nieuwe, zachtere bewoordingen de oude, harde moesten vervangen. ‘Nederlander met migratieachtergrond’ is volgens mij sinds een jaar of twee de streef-omschrijving die het uit de gratie geraakte ‘allochtoon’ moest vervangen.

Kijkend naar de woorden die voor huidige mondiale crisis gebruikt worden, kan ik niet anders dan vaststellen dat we in Nederland zo bang nog niet zijn voor niet-eufemistisch taalgebruik. ‘Coronacrisis’ lijkt het als term op wereldwijde schaal af te leggen tegen het veel populairdere ‘Covid(-19) crisis’. Om het in getallen uit te drukken: op Google levert eerstgenoemde term een ‘magere’ 350 miljoen hits op tegenover bijna het dubbele – 648 miljoen hits – bij de veel minder heftig klinkende (want abstractere) tweede. Maar in Nederland wint ‘coronacrisis’ (aan elkaar natuurlijk!) het met speels gemak van ‘covidcrisis’ (aan elkaar!): 18,4 miljoen hits, tegenover 5,69 miljoen.

Het is maar een observatietje, zo aan het begin van de meivakantie.

Kolfje

Ik kreeg vanochtend een mail van het Genootschap Onze Taal. Of ik mee wil doen aan het bedenken van woorden die anno 2020 écht niet meer kunnen. ‘Schurende taal’, noemen ze dat.

Een kolfje naar mijn hand!, dacht ik meteen.

Dat gezegd hebbende, het woord ‘kolfje’ vind ik écht niet meer kunnen.  ‘Kolfje’ is een soort wolf in schaapskleren op woordniveau: het klinkt wel lief, als een kalfje dat nog niet helemaal weet hoe het rechtop moet staan en aller-aandoenlijkst blijft omvallen, maar het is natuurlijk gewoon walgelijk. Bah.

Overigens heb ik niks tegen het kunstmatig aftappen van moedermelk.

Taaltrend: ‘Ik mag….van mezelf.’

Ik heb ooit geleerd dat wetenschappelijk is vastgesteld dat de meeste taaltrends en taalveranderingen bij vrouwen beginnen. Vermoedelijk geldt dat ook voor de taaltrend die ik in dit stukje centraal stel: ‘Ik mag….van mezelf’, ook wel gebruikt als ‘Ik mag van mezelf…’ Wat is er aan de hand?

Tot voor een paar jaar geleden hoorde je in spreektaal en las je in schrijftaal wel eens de ontkennende variant van de genoemde uitdrukking. Die vind je online dan ook nog het vaakst terug, bijvoorbeeld in zinnen als ‘Ik mag van mezelf geen fouten maken’ of ‘Ik mag van mezelf niet twijfelen.’

De afgelopen jaren lijkt er echter iets te kantelen aan deze uitdrukking. Het gaat nu niet alleen meer over wat je niet mag van jezelf, maar steeds vaker over wat je wel mag. Dit filmpje – waarin Aaf Brandt Corstius aan tijdschrift Margriet uitlegt hoe ze haar dagen als schrijver doorkomt – deed mij beseffen dat ‘ik-mag-van-mezelf…’ nu echt gemeengoed is geworden. Op 00:46 zegt ze: ‘…dus ik mag drie koffie per dag van mezelf.’

Zoals zoveel taaltrends lijkt ook deze begonnen bij spreektaal, maar wint hij langzaamaan ook terrein in geschreven taal. Bij de zoektocht op internet lijken de voorbeelden die overeenkomen met mijn bevindingen allemaal van recente datum. Een greep:

Allemaal vrouwen! O nee, wacht, toch een man gevonden:

O, toch weer een vrouw:

Ok, genoeg zo, denk ik. Nog een laatste kanttekening. Is hier nou echt sprake van een positiviteitsboost die vanuit de samenleving (De meeste mensen deugen) in de taal doorsijpelt? Ik twijfel. Natuurlijk is het fijn dat we (vooral vrouwen) ineens van alles van onszelf mogen, maar stiekem impliceert dit natuurlijk vooral wat we niet mogen van onszelf. Ga maar na: als Aaf meldt dat ze drie koppen koffie per dag mag, betekent dat dus vooral ook dat dat er ab-so-luut niet vier, of zelfs maar vijf of zes mogen zijn. Net als overigens de leeftijd-in-koekjes, chocola en 1-aflevering-per-dag in de bovenstaande voorbeelden. Positieve uitzondering daarop is natuurlijk ‘het weer op social media mogen, nu het album er eindelijk is’. Maar die quote is dan weer afkomstig van? Juist, een man.

 

 

‘Pauze…voegwoord’ wordt ‘voegwoord…pauze’

Er valt me iets op aan mijn eigen taalgebruik en dat van alle Nederlandssprekenden om mij heen. Waar ik vroeger heb geleerd dat we bijzinnen dienen uit te spreken zoals we ze schrijven, heb ik nu het idee dat we met z’n allen in de spreektaal steeds vaker afwijken van de schrijftaal. Althans, waar het de uitspraak van bijzinnen betreft.

Een voorbeeld. ‘Ik vind dat we een aantal paragrafen uit de begroting moeten herzien, want er staan nu te veel onduidelijkheden in.’ Zoals je ziet, staat in deze zin de komma netjes waar zij hoort te staan, te weten vóór het voegwoord (want). Volgens mij is dat ook de manier waarop we een dergelijke zin vroeger uitspraken, dat wil zeggen: we lieten een natuurlijke pauze vallen op de plek van de komma en vervolgden de zin daarna bij het voegwoord. ‘Ik vind dat we een aantal paragrafen uit de begroting moeten herzien,’ [natuurlijke spreekpauze] ‘want er staan nu te veel onduidelijkheden in.’

Dit is echter niet hoe dergelijke zinnen tegenwoordig uitgesproken worden. In de praktijk hoor ik heel vaak dit: ‘Ik vind dat we een aantal paragrafen uit de begroting moeten herzien, want’ [spreekpauze] ‘er staan nu te veel onduidelijkheden in.’ Deze taalverandering lijkt niet voorbehouden aan bepaalde groepen in de samenleving, want ik hoor haar bij iedereen terugkomen: man, vrouw, oud, jong (mijn zoontje van 4!!!).

Ik denk niet dat er door deze verandering veel verloren gaat en vind de nieuwe manier van bijzinnen uitspreken ergens ook wel logisch. Doordat je het voegwoord al hebt uitgesproken, heb je voor jezelf en de andere gesprekspartners al duidelijk wat het verband tussen hoofd- en bijzin gaat zijn. Het voordeel ten opzichte van de ‘oude’ spreekwijze is echter dat je hersenen nu wat meer tijd hebben om de daadwerkelijke bijzin te formuleren, vóórdat je hem gaat uitspreken.

Tot zover dit wel heel specifieke, taalkundige mini-essay.