Acroniem-ontdekkingen

Toen iemand mij ooit vertelde dat de prachtige merknaam Aviko staat voor ‘Aardappel Verwerkende Industrie Keppel en Omstreken’ viel mijn mond open van verbazing. Blijkbaar kan achter het meest poëtisch klinkende acroniem de meest klinisch klinkende uitleg schuilgaan. Bij Kapla (kleine houten latjes waar kinderen de prachtigste bouwwerken mee kunnen maken) gebeurde nou juist iets omgekeerds: achter deze merknaam zit de even onschuldig als vertederend klinkende uitleg KAbouterPLAnkje.

Gisteren dacht ik bij het horen van een radioreclame ineens zelf de oplossing voor een nogal bekende naam uit de reisbranche gevonden te hebben; Corendon, dat is natuurlijk gewoon een reisbureautje dat ontstaan is na een onschuldige koffietentjes-brainstormsessie van twee olijke zakenmannen die luisteren naar de namen Cor en Don. Helaas. Er zit weliswaar een best poëtische verklaring achter de naam Corendon, maar het is er een die op geen enkele manier uit de breinen van Cor en Don is ontsproten.

Corendon is een Turks/Nederlandse holding, gespecialiseerd in vliegvakanties. Het bedrijf is opgericht in 2000, het hoofdkantoor staat in Lijnden. De naam Corendon heeft betrekking op een aan robijn verwant bordeauxrood mineraal, korund. Bordeauxrood is tevens de huisstijlkleur van Corendon.

Nou ja, hij mag er zijn, deze uitleg, maar mochten Cor en Don nog op zoek zijn naar een werkgever, dan lijkt het me prachtig als ze zich alsnog bij de reisgrootgrutter melden.

Favo afko’s: m.u.v.

Een van mijn favoriete afkortingen uit de Nederlandse taal is toch wel m.u.v. (spreek uit: ‘em-uu-vee’), wat natuurlijk ‘met uitzondering van’ betekent. Een afkorting moet je ook altijd even ‘zonder de puntjes’ uitspreken om te kijken hoe dat klinkt, en in het geval van m.u.v. zeg je dan ‘muf’. Dat is natuurlijk sowieso een grappig woord is, maar het stelt me ook wel een beetje voor een dilemma. Is m.u.v. inderdaad een muffe afkorting of juist helemaal niet? Ik kom er niet uit.

Andere talen hebben vast ook wel uitdrukkingen en afkortingen die ongeveer hetzelfde betekenen als m.u.v., maar het lijkt me toch vooral iets typisch Nederlands om te bedenken dat je zoiets kunt doen als uitzonderingen maken. Ga maar na: er is een probleem, namelijk cannabisgebruik, en in de meeste landen in de wereld besluit men om er strenge regels voor in te voeren, zonder uitzonderingen. Zo niet hier.

De regels en uitzonderingen in ons beroemde gedoogbeleid maakten op Quentin Tarantino bij een bezoek aan Amsterdam ooit zó’n grote indruk, dat hij besloot om ze in het script van Pulp Fiction te verwerken. Hij zette zijn louche criminelen Vincent en Jules in een auto, liet eerstgenoemde een Amsterdam-college geven aan laatstgenoemde en de rest is geschiedenis. Tarantino heeft natuurlijk geweldige films gemaakt, met uitzondering dan van… nou ja, dat is weer een ander verhaal.

Of het uitzonderen ons in coronatijden trouwens veel oplevert is maar zeer de vraag. Misschien zit het ons wel eerder in de weg…

Het laatste woord is aan Jules en Vincent.

Oppegevement

Een van de makkelijkst om zeep te helpen zegswijzen van de Nederlandse taal is ‘op een gegeven moment’. Het is zo’n fijne uitdrukking die je het liefst te pas en te onpas zou gebruiken, maar er is iets met die opeenvolging van klanken waardoor je ze gewoon niet zonder allerlei rare keel- en tongfratsen uit je strot krijgt. Als je niet uitermate geconcentreerd bent en bij ieder woord let op de articulatie ervan, ga je hopeloos, als een ware JP Balkenende (waarschijnlijk de bekendste om-zeep-helper van dierbare lettergrepen die Nederland ooit rijk is geweest) ten onder. Als de wetten van de taalverandering over een x aantal jaren hun werk gedaan hebben, staat ‘op een gegeven moment’ dan inderdaad in z’n sterk uitgeklede, niet meer terug te herkennen vorm in de Dikke Van Dale: oppegevement. Amen.

Jacq. Bel

Zit ik een tijdschrift over taal te lezen, kom ik er ineens achter dat er een hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde is die de welluidende naam Jacqueline Bel mag dragen. Zouden haar ouders fans zijn?

Corona vs. Covid(-19): mondiaal wint het eufemisme (maar in Nederland niet!)

Zou het kunnen dat we een minder eufemistisch volkje zijn dan we zelf denken? De afgelopen jaren zijn er nogal wat bewegingen geweest richting een Nederlands waarin nieuwe, zachtere bewoordingen de oude, harde moesten vervangen. ‘Nederlander met migratieachtergrond’ is volgens mij sinds een jaar of twee de streef-omschrijving die het uit de gratie geraakte ‘allochtoon’ moest vervangen.

Kijkend naar de woorden die voor huidige mondiale crisis gebruikt worden, kan ik niet anders dan vaststellen dat we in Nederland zo bang nog niet zijn voor niet-eufemistisch taalgebruik. ‘Coronacrisis’ lijkt het als term op wereldwijde schaal af te leggen tegen het veel populairdere ‘Covid(-19) crisis’. Om het in getallen uit te drukken: op Google levert eerstgenoemde term een ‘magere’ 350 miljoen hits op tegenover bijna het dubbele – 648 miljoen hits – bij de veel minder heftig klinkende (want abstractere) tweede. Maar in Nederland wint ‘coronacrisis’ (aan elkaar natuurlijk!) het met speels gemak van ‘covidcrisis’ (aan elkaar!): 18,4 miljoen hits, tegenover 5,69 miljoen.

Het is maar een observatietje, zo aan het begin van de meivakantie.

Kolfje

Ik kreeg vanochtend een mail van het Genootschap Onze Taal. Of ik mee wil doen aan het bedenken van woorden die anno 2020 écht niet meer kunnen. ‘Schurende taal’, noemen ze dat.

Een kolfje naar mijn hand!, dacht ik meteen.

Dat gezegd hebbende, het woord ‘kolfje’ vind ik écht niet meer kunnen.  ‘Kolfje’ is een soort wolf in schaapskleren op woordniveau: het klinkt wel lief, als een kalfje dat nog niet helemaal weet hoe het rechtop moet staan en aller-aandoenlijkst blijft omvallen, maar het is natuurlijk gewoon walgelijk. Bah.

Overigens heb ik niks tegen het kunstmatig aftappen van moedermelk.

Taaltrend: ‘Ik mag….van mezelf.’

Ik heb ooit geleerd dat wetenschappelijk is vastgesteld dat de meeste taaltrends en taalveranderingen bij vrouwen beginnen. Vermoedelijk geldt dat ook voor de taaltrend die ik in dit stukje centraal stel: ‘Ik mag….van mezelf’, ook wel gebruikt als ‘Ik mag van mezelf…’ Wat is er aan de hand?

Tot voor een paar jaar geleden hoorde je in spreektaal en las je in schrijftaal wel eens de ontkennende variant van de genoemde uitdrukking. Die vind je online dan ook nog het vaakst terug, bijvoorbeeld in zinnen als ‘Ik mag van mezelf geen fouten maken’ of ‘Ik mag van mezelf niet twijfelen.’

De afgelopen jaren lijkt er echter iets te kantelen aan deze uitdrukking. Het gaat nu niet alleen meer over wat je niet mag van jezelf, maar steeds vaker over wat je wel mag. Dit filmpje – waarin Aaf Brandt Corstius aan tijdschrift Margriet uitlegt hoe ze haar dagen als schrijver doorkomt – deed mij beseffen dat ‘ik-mag-van-mezelf…’ nu echt gemeengoed is geworden. Op 00:46 zegt ze: ‘…dus ik mag drie koffie per dag van mezelf.’

Zoals zoveel taaltrends lijkt ook deze begonnen bij spreektaal, maar wint hij langzaamaan ook terrein in geschreven taal. Bij de zoektocht op internet lijken de voorbeelden die overeenkomen met mijn bevindingen allemaal van recente datum. Een greep:

Allemaal vrouwen! O nee, wacht, toch een man gevonden:

O, toch weer een vrouw:

Ok, genoeg zo, denk ik. Nog een laatste kanttekening. Is hier nou echt sprake van een positiviteitsboost die vanuit de samenleving (De meeste mensen deugen) in de taal doorsijpelt? Ik twijfel. Natuurlijk is het fijn dat we (vooral vrouwen) ineens van alles van onszelf mogen, maar stiekem impliceert dit natuurlijk vooral wat we niet mogen van onszelf. Ga maar na: als Aaf meldt dat ze drie koppen koffie per dag mag, betekent dat dus vooral ook dat dat er ab-so-luut niet vier, of zelfs maar vijf of zes mogen zijn. Net als overigens de leeftijd-in-koekjes, chocola en 1-aflevering-per-dag in de bovenstaande voorbeelden. Positieve uitzondering daarop is natuurlijk ‘het weer op social media mogen, nu het album er eindelijk is’. Maar die quote is dan weer afkomstig van? Juist, een man.

 

 

‘Pauze…voegwoord’ wordt ‘voegwoord…pauze’

Er valt me iets op aan mijn eigen taalgebruik en dat van alle Nederlandssprekenden om mij heen. Waar ik vroeger heb geleerd dat we bijzinnen dienen uit te spreken zoals we ze schrijven, heb ik nu het idee dat we met z’n allen in de spreektaal steeds vaker afwijken van de schrijftaal. Althans, waar het de uitspraak van bijzinnen betreft.

Een voorbeeld. ‘Ik vind dat we een aantal paragrafen uit de begroting moeten herzien, want er staan nu te veel onduidelijkheden in.’ Zoals je ziet, staat in deze zin de komma netjes waar zij hoort te staan, te weten vóór het voegwoord (want). Volgens mij is dat ook de manier waarop we een dergelijke zin vroeger uitspraken, dat wil zeggen: we lieten een natuurlijke pauze vallen op de plek van de komma en vervolgden de zin daarna bij het voegwoord. ‘Ik vind dat we een aantal paragrafen uit de begroting moeten herzien,’ [natuurlijke spreekpauze] ‘want er staan nu te veel onduidelijkheden in.’

Dit is echter niet hoe dergelijke zinnen tegenwoordig uitgesproken worden. In de praktijk hoor ik heel vaak dit: ‘Ik vind dat we een aantal paragrafen uit de begroting moeten herzien, want’ [spreekpauze] ‘er staan nu te veel onduidelijkheden in.’ Deze taalverandering lijkt niet voorbehouden aan bepaalde groepen in de samenleving, want ik hoor haar bij iedereen terugkomen: man, vrouw, oud, jong (mijn zoontje van 4!!!).

Ik denk niet dat er door deze verandering veel verloren gaat en vind de nieuwe manier van bijzinnen uitspreken ergens ook wel logisch. Doordat je het voegwoord al hebt uitgesproken, heb je voor jezelf en de andere gesprekspartners al duidelijk wat het verband tussen hoofd- en bijzin gaat zijn. Het voordeel ten opzichte van de ‘oude’ spreekwijze is echter dat je hersenen nu wat meer tijd hebben om de daadwerkelijke bijzin te formuleren, vóórdat je hem gaat uitspreken.

Tot zover dit wel heel specifieke, taalkundige mini-essay.

Woord van de dag: presolaire korrel

Schermafbeelding 2020-01-14 om 19.54.14

Ok, welbeschouwd is het natuurlijk geen woord maar een woordgroep, maar toch: de presolaire korrel is met afstand het welluidendste wat ik vandaag in de media ben tegengekomen.

Eigenlijk moet je je er niet meteen in verdiepen, maar gewoon even spelen met deze prachtige taalvondst:

– ‘Mama, ik kan mijn presolaire korrels niet vinden!’
– ‘Dan heb je nog niet goed in je speelgoedhoek gekeken, Maan!’

of

De amuse in het driesterrenrestaurant bestond uit een voorzichtig geglazuurd stukje zee-egel op een bedje van gesuikerde herfst-spiering, gegarneerd met langdurig in wortelnoten vaten gerijpte presolaire korrels.

of

‘Dokter, ik heb de laatste tijd zo’n jeuk in mijn anus.’
‘Ik zie het al: presolaire korrels. Dagelijks drie bekers warme anijsmelk en u bent er binnen no-time vanaf, hoor!’

Nee, het is niet aan mij om uit te leggen wat presolaire korrels zijn. Dat kunnen wetenschapsjournalisten veel beter. Die, én de Jeugd van Tegenwoordig. (Ik kwam ergens in het NRC-artikel het woord sterrenstof tegen….)

 

 

Over de uitspraak van het woord ‘vanille’

Van de uitspraak van het woord ‘vanille’ kan ik ’s nachts wakker liggen. Niet écht natuurlijk, maar het leek me wel een pakkende beginzin.

Ik heb eigenlijk altijd ‘vaa-nie-juh’ gezegd en voor mijn gevoel is dat ook de correcte uitspraak. Toch hoor ik hier thuis meestal ‘va-niel-juh’ en dat vind ik dan weer een stuk minder klinken. Het klinkt een beetje als ‘ik verniel je’ en dat is gewoon niet iets wat je zegt als je iemand de liefde wilt verklaren of iets dergelijks. Ook als je een muntje voor de campingdouche nodig hebt, klinkt de vernielvariant eerder als een uiting van agressie dan van genegenheid of naastenliefde.

Dat gezegd hebbende, misschien kan hier nog verandering in gebracht worden door een of andere liedjesschrijver of taalvirtuoos. Ik kan me zomaar voorstellen dat een carnavalskraker ‘Ik wou een ijsje met vanielje (maar ik duwde, en toen viel je)’ tot de mogelijkheden behoort.