Sikkepit

Op zoek naar een onderwerp om over te schrijven kon ik niet anders dan even aan Maarten Biesheuvel denken. Ik lees op dit moment de geweldige gevonden verhalen, gebundeld onder de titel Vroeger schreef ik. Het lezen van Biesheuvel is als het eten van een heerlijk, onbekend gerecht dat je meteen inspireert om zelf in de keuken gaan staan om te experimenteren. Deze laatste zin overlezend denk ik: wat doe ik in godsnaam in de keuken?

Hoe dan ook, ik moest gisteravond na die vreselijke wedstrijd ineens denken aan het woord sikkepit. Het Nederlands is een heerlijke taal als je dingen wil formuleren als ‘Het kan me geen….schelen’ Ga maar na: je kunt eindeloos veel dingen op die puntjes invullen, van moeren, bouten, fluiten, en zieren (wat is een ‘zier’ eigenlijk?) tot, jawel, sikkepitten.

Wat kunnen we over de sikkepit vaststellen, alvorens we er onderzoek naar verrichten? Als we kijken naar bepaalde taaleigen patronen, moet het in elk geval gaan om een sikkige pit, en niet om een pittige sik. Een spookdiertje is immers een spookachtig diertje, en niet een dierachtig spookje, om maar een voorbeeld te noemen.

Maar wat is dan een sikkige pit/een pit met een sik? Geen idee, maar ik probeerde laatst een mangopit op te kweken tot een plantje (nog zonder succes overigens) en voordat je bij de echte pit komt heb je dan een enorm boon-achtig gevaarte uit die vrucht gehaald waar nog het nodige vruchtvlees aan zit. Met enige fantasie had het wel wat weg van een hoofd met een vlassige, sliertige sik eronder.

Wacht! Ewoud Sanders blijkt hier in 2003 iets over geschreven te hebben in de NRC:

‘…sikkepit is samengesteld uit de woorden sik in de betekenis `geit’ plus pit in de betekenis `keutel’. De oorspronkelijke betekenis is dus `geitenkeutel’.’

Een geitenkeutel dus. Als iemand je vraagt naar je mening over de uitschakeling van oranje kun je dus prima ‘Dat kan me geen geitenkeutel schelen!’ zeggen. Probeer het maar eens.

Blijfkracht

Ik kan me de eerste keer dat ik de Engelse term ‘staying power’ in het Nederlands gebruikt hoorde worden nog goed herinneren. Het was in een televisie-uitzending van de Nederlandse top 40. Erik de Zwart was daarvan de presentator en mocht de clip van de – niet al te beste – U2-single Electrical Storm aankondigen. Hij deed dat in zijn gebruikelijke, zwierige volzinnen, waarin hij memoreerde aan De Grote Vier popartiesten van de jaren ’80: Michael Jackson, Prince, Madonna en U2. Omdat hij van de eerste twee destijds (2001) weinig meer vernam, achtte hij daarmee de ooit door hemzelf in de jaren ’80 uitgewerkte theorie bewezen dat van De Grote Vier alleen Madonna en U2 échte ‘staying power’ hadden.

Sindsdien heb ik de uitdrukking aardig vaak voorbij horen komen in het Nederlands, wat me heeft doen besluiten om er maar eens een Nederlandse variant voor te verzinnen: blijfkracht. Klinkt lekker kort, maar toch (duh!) krachtig, het bekt lekker en sluit goed aan op al bestaande Nederlandse woorden zoals kleefkracht.

Op dit moment zie ik dat de spellingscontrole nog een rood stippellijntje onder blijfkracht zet, maar wie weet, over een x aantal jaren…

Binnenste buiten/buitenste binnen?

Hoewel mijn zoon (5) in de fase zit waarin hij zich steeds vaker zelfs aankleedt, zijn wij als ouders ook vaak nog net even de helpende hand aan het bieden. Niet zelden gaat het hierbij om een kledingstuk dat per ongeluk binnenste buiten is aangetrokken. Meestal zeg ik dan dat we het even ‘buitenste binnen’ moeten doen, maar vandaag realiseerde ik me ineens dat dit niet klopt. Als het ‘buitenste binnen zit’ is dit eigenlijk hetzelfde als dat het ‘binnenste buiten zit’. Correct zou dus zijn om hier ‘binnenste binnen’ of ‘buitenste buiten’ te zeggen. Pffff, dat het veertig jaar heeft moeten duren om tot dít besef te komen…

Regenworm en pissebed

Inspirerende ‘kranten’-kop vandaag:

Pfff, die eeuwige neiging van de mensheid ook om van alles een wedstrijd te maken! Wie zegt dat regenwormen en pissebedden in elkaars vaar-, ehh, grondwater zitten? Ik heb daar zojuist bewijsmateriaal voor proberen te vinden (misschien zijn inderdaad wel minder pissebedden dan verwacht, omdat die wormen ze ineens massaal op blijken te vreten ofzo), maar tevergeefs. Is geen énkel bewijs voor.

Overigens is pissebed toch wel een van de mooiere namen voor een dier. Je zou denken dat pissebedden insecten zijn, maar nee hoor. Ze behoren tot de orde van de isopoda (dat klinkt trouwens ergens in de verte wel als het woord ‘pissebed’, ‘isopoda’; hussel een paar letters en verdomd, je bent er bijna!) met de klasse custacae (kreeftachtigen).

Toch maar even wat speurwerk naar de herkomst van het woord ‘pissebed’ verricht en dan blijkt dat het toch echt met het werkwoord ‘pissen’ te maken heeft. Vroeger verwerkte men deze dieren vermalen en wel in het eten vanuit de gedachte dat je daar bedplassen mee zou kunnen tegengaan. Een dergelijke vochtafdrijvende werking werd ook wel eens aan bepaalde bloemen toegeschreven. Een van die bloemen was een bepaald soort paardenbloem die in het Frans ‘pissenlit’ (piss en lit) werd genoemd. Een vertaling van die naam zou vervolgens in het Nederlands terecht zijn gekomen. In het laatste stadium van dit traject zou de naam van de bloem op een bepaald moment ineens voor dat gekke kreeftachtige bodemdiertje zijn gebruikt.

Zo kan ie wel weer. Heb een droge nacht vannacht en een morgen natte Sinterklaas, met een lekker drankje erbij ofzo.

Acroniem-ontdekkingen

Toen iemand mij ooit vertelde dat de prachtige merknaam Aviko staat voor ‘Aardappel Verwerkende Industrie Keppel en Omstreken’ viel mijn mond open van verbazing. Blijkbaar kan achter het meest poëtisch klinkende acroniem de meest klinisch klinkende uitleg schuilgaan. Bij Kapla (kleine houten latjes waar kinderen de prachtigste bouwwerken mee kunnen maken) gebeurde nou juist iets omgekeerds: achter deze merknaam zit de even onschuldig als vertederend klinkende uitleg KAbouterPLAnkje.

Gisteren dacht ik bij het horen van een radioreclame ineens zelf de oplossing voor een nogal bekende naam uit de reisbranche gevonden te hebben; Corendon, dat is natuurlijk gewoon een reisbureautje dat ontstaan is na een onschuldige koffietentjes-brainstormsessie van twee olijke zakenmannen die luisteren naar de namen Cor en Don. Helaas. Er zit weliswaar een best poëtische verklaring achter de naam Corendon, maar het is er een die op geen enkele manier uit de breinen van Cor en Don is ontsproten.

Corendon is een Turks/Nederlandse holding, gespecialiseerd in vliegvakanties. Het bedrijf is opgericht in 2000, het hoofdkantoor staat in Lijnden. De naam Corendon heeft betrekking op een aan robijn verwant bordeauxrood mineraal, korund. Bordeauxrood is tevens de huisstijlkleur van Corendon.

Nou ja, hij mag er zijn, deze uitleg, maar mochten Cor en Don nog op zoek zijn naar een werkgever, dan lijkt het me prachtig als ze zich alsnog bij de reisgrootgrutter melden.

Favo afko’s: m.u.v.

Een van mijn favoriete afkortingen uit de Nederlandse taal is toch wel m.u.v. (spreek uit: ‘em-uu-vee’), wat natuurlijk ‘met uitzondering van’ betekent. Een afkorting moet je ook altijd even ‘zonder de puntjes’ uitspreken om te kijken hoe dat klinkt, en in het geval van m.u.v. zeg je dan ‘muf’. Dat is natuurlijk sowieso een grappig woord is, maar het stelt me ook wel een beetje voor een dilemma. Is m.u.v. inderdaad een muffe afkorting of juist helemaal niet? Ik kom er niet uit.

Andere talen hebben vast ook wel uitdrukkingen en afkortingen die ongeveer hetzelfde betekenen als m.u.v., maar het lijkt me toch vooral iets typisch Nederlands om te bedenken dat je zoiets kunt doen als uitzonderingen maken. Ga maar na: er is een probleem, namelijk cannabisgebruik, en in de meeste landen in de wereld besluit men om er strenge regels voor in te voeren, zonder uitzonderingen. Zo niet hier.

De regels en uitzonderingen in ons beroemde gedoogbeleid maakten op Quentin Tarantino bij een bezoek aan Amsterdam ooit zó’n grote indruk, dat hij besloot om ze in het script van Pulp Fiction te verwerken. Hij zette zijn louche criminelen Vincent en Jules in een auto, liet eerstgenoemde een Amsterdam-college geven aan laatstgenoemde en de rest is geschiedenis. Tarantino heeft natuurlijk geweldige films gemaakt, met uitzondering dan van… nou ja, dat is weer een ander verhaal.

Of het uitzonderen ons in coronatijden trouwens veel oplevert is maar zeer de vraag. Misschien zit het ons wel eerder in de weg…

Het laatste woord is aan Jules en Vincent.

Oppegevement

Een van de makkelijkst om zeep te helpen zegswijzen van de Nederlandse taal is ‘op een gegeven moment’. Het is zo’n fijne uitdrukking die je het liefst te pas en te onpas zou gebruiken, maar er is iets met die opeenvolging van klanken waardoor je ze gewoon niet zonder allerlei rare keel- en tongfratsen uit je strot krijgt. Als je niet uitermate geconcentreerd bent en bij ieder woord let op de articulatie ervan, ga je hopeloos, als een ware JP Balkenende (waarschijnlijk de bekendste om-zeep-helper van dierbare lettergrepen die Nederland ooit rijk is geweest) ten onder. Als de wetten van de taalverandering over een x aantal jaren hun werk gedaan hebben, staat ‘op een gegeven moment’ dan inderdaad in z’n sterk uitgeklede, niet meer terug te herkennen vorm in de Dikke Van Dale: oppegevement. Amen.

Jacq. Bel

Zit ik een tijdschrift over taal te lezen, kom ik er ineens achter dat er een hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde is die de welluidende naam Jacqueline Bel mag dragen. Zouden haar ouders fans zijn?

Corona vs. Covid(-19): mondiaal wint het eufemisme (maar in Nederland niet!)

Zou het kunnen dat we een minder eufemistisch volkje zijn dan we zelf denken? De afgelopen jaren zijn er nogal wat bewegingen geweest richting een Nederlands waarin nieuwe, zachtere bewoordingen de oude, harde moesten vervangen. ‘Nederlander met migratieachtergrond’ is volgens mij sinds een jaar of twee de streef-omschrijving die het uit de gratie geraakte ‘allochtoon’ moest vervangen.

Kijkend naar de woorden die voor huidige mondiale crisis gebruikt worden, kan ik niet anders dan vaststellen dat we in Nederland zo bang nog niet zijn voor niet-eufemistisch taalgebruik. ‘Coronacrisis’ lijkt het als term op wereldwijde schaal af te leggen tegen het veel populairdere ‘Covid(-19) crisis’. Om het in getallen uit te drukken: op Google levert eerstgenoemde term een ‘magere’ 350 miljoen hits op tegenover bijna het dubbele – 648 miljoen hits – bij de veel minder heftig klinkende (want abstractere) tweede. Maar in Nederland wint ‘coronacrisis’ (aan elkaar natuurlijk!) het met speels gemak van ‘covidcrisis’ (aan elkaar!): 18,4 miljoen hits, tegenover 5,69 miljoen.

Het is maar een observatietje, zo aan het begin van de meivakantie.