Jonathan Franzen – Kruispunt

Mijn frustratie
Eerst wil ik even een kleine persoonlijke frustratie met je delen. Toen ik een paar jaar geleden met dit blog begon, had ik geen helder beeld van waar ik het precies voor zou gebruiken. Een van de dingen die ik sowieso wel wilde doen was af en toe wat schrijven over boeken en literatuur. Helaas zie ik nu, terugscrollend door alle posts, dat dat laatste maar mondjesmaat gelukt is.

Aan mijn leeshonger heeft het niet gelegen. Er staan inmiddels bijna vijftig boeken op mijn e-reader, die ik niet lang voor het opstarten van mijn blog kocht. Het is een mix van fictie en non-fictie, zowel Engels- als Nederlandstalig, en er zitten amper boeken bij waarvan ik achteraf spijt had dat ik ze las. Naast e-boeken las ik af en toe ook nog ouderwetse papieren boeken. Waarom lukte het me dan maar in een paar gevallen om mijn voornemen om mijn leeservaringen te delen in daden om te zetten? Ik kan eigenlijk maar één plausibele verklaring vinden: de literatuur ligt me te na aan het hart om er zomaar iets over op te schrijven. Als ik het doe, moet ik het ook goéd doen, en omdat ik meestal betwijfel of dat laatste me daadwerkelijk gaat lukken, gooi ik vroegtijdig dan maar het bijltje erbij neer. In de meeste gevallen dan.

Zo verging het me de afgelopen weken ook weer met Jonathan Franzens laatste roman, Kruispunt (‘Crossroads’ in het Engels) geheten. Na aanschaf las ik het in nog geen twee weken uit, wat meteen een groot compliment is aan de schrijver van het boek. Op de een of andere manier schrijft hij altijd zó dat je zijn boeken gewoonweg niet weg kúnt leggen. Maar daar kom ik later op terug. Nadat ik het uit had was ik nog een tijdje helemaal vol van het boek. Ik moest en zou er een blogje over schrijven. Maar wat moest er dan allemaal in? 1001 gedachten gingen door mijn hoofd, maar toen na een week of twee die gedachtenbrij nog geen enkele substantiële vorm had aangenomen, verzandden al mijn eerdere voornemens. Enfin, het zij zo. Nu ik de pen alsnog heb opgepakt, ga ik dit klusje klaren ook!

Het boek
Na twee van zijn eerdere, eigenlijk bekendste romans (De Correcties en Vrijheid) in het Nederlands gelezen te hebben (die twee boeken waren uitstekend vertaald), wilde ik dit keer Franzen eens in zijn eigen taal, het Engels, tot me nemen. Dat was in het begin wel even wennen. Normaal gaat het lezen van Engels mij goed af, maar Franzen heeft een enorme woordenschat, waardoor ik niet zelden in het duister tastte bij het zoeken naar een juiste vertaling voor bepaalde woorden. Desalniettemin hoefde ik mijn verlies niet te nemen door terug te krabbelen naar de Nederlandse vertaling. Mijn e-reader biedt immers de mogelijkheid om woorden aan te klikken en op te zoeken in een (helaas wel enigszins gebrekkig) woordenboek Engels-Nederlands. Uiteindelijk ging het wennen om dit te doen en haalde het geenszins het tempo uit het lezen. Zolang je het leuk vindt om af en toe uitgedaagd te worden door woorden die je normaal gesproken zelf niet zou gebruiken, hoeft het geenszins een belemmering bij het lezen te zijn. Overigens zeg ik dit ook altijd tegen mijn leerlingen, maar is er nog nooit een geweest die er positief (‘Inderdaad meester, vreemde woorden zijn echt jottum!’) op reageerde.

Het was even geleden dat ik De Correcties en Vrijheid las, maar toen ik eenmaal aan Kruispunt begon, wist ik meteen weer wat ik zo goed vond aan die twee eerdere romans van Franzen. Het is een combinatie van meeslepende, tot in detail uitgewerkte hoofdpersonages en het feit dat al hun tekortkomingen je tegelijkertijd als lezer irriteren én intrigeren. Bij De Correcties komt dan altijd de passage weer boven waarin de beklagenswaardige Chip, tot over zijn oren in de schulden, besluit om in een chique winkel een bijna tachtig dollar kostende zalm te stelen door – en dit is het meest hilarische – deze in zijn broek de winkel uit te smokkelen. Als ik aan Vrijheid denk, denk ik aan het personage Walter, en dan met name een van zijn vele eigenzinnigheden: als vogelliefhebber heeft hij een hekel aan katten en kattenbezitters. Om zijn afkeer te rechtvaardigheden weet hij telkens de meest nauwkeurige cijfers op te dissen waaruit blijkt dat in de Verenigde Staten jaarlijks alleen al een gigantisch aantal vogels het loodje legt door toedoen van huiskatten. In de tijd dat ik Vrijheid las werd ik vogelliefhebber en, je raadt het al, iedere keer als het nemen van een kat sindsdien in mijn huishouden maar ter sprake kwam wuifde ik dit plan weg met de Walter-kaart: ‘Zo’n vogelmoordmachine in huis nemen? Dat nooit!’ Overigens lijk ik, het web afstruinend, niet de enige die door dit element uit Franzens vierde roman geraakt werd.

Kruispunt in een notendop
Kruispunt gaat zoals gezegd verder waar Franzen in zijn eerdere romans gebleven was: angstaanjagend realistische personages die je als lezer met al hun (on-)hebbelijkheden meeslepen in hun queeste om gewoon een zo goed mogelijk mens te zijn en het leven zo goed mogelijk te ondergaan en te aanvaarden. Thematisch is alles ook heel vertrouwd. Weer is er een gezin dat centraal staat en maakt Franzen gebruik van een meervoudig perspectief om zoveel mogelijk personages aan bod te laten komen.

De moeilijkste vraag die je naar aanleiding van deze roman zou kunnen stellen is misschien wel: ‘Wat is het mooiste, best tot z’n recht komende personage?’ Ik kan namelijk niet kiezen. Neem nou alleen al de pater familias, Russ Hildebrandt. In het begin van het verhaal maak je kennis met hem, een dominee in een slaperig voorstadje van Chicago, New Prospect geheten. Hij zit middenin zijn midlife crisis en heeft een nogal cliché-crush op een jonge moeder (tevens kersverse weduwe) die onlangs heeft aangegeven zich als vrijwilliger te willen inzetten voor zijn kerk. Er moet op een zeker moment in zijn recente leven iets zijn gebeurd waarvoor hij zich vreselijk schaamt, maar als lezer heb je nog geen flauw benul wat dat precies is. Zijn schaamte en zijn midlife-kalverliefde maken hem voor de lezer meteen innemend, en Franzen doet er nog wat details bij om het charme-offensief compleet te maken. Zo is er het leidmotief van de schapenwollen jas. Russ heeft die al jaren niet meer aangehad maar besluit het kledingstuk, ingegeven door zijn verliefdheid, ineens weer aan te trekken. Franzen maakt Russ’ ingemak hierbij zo invoelbaar dat je als lezer meteen denkt: ‘Trek maar weer uit, dat ding!’

Stap voor stap wordt de lezer vervolgens Russ’ hele gezin in gesleurd, en de andere leden zijn, zoals ik hierboven al aangaf, minstens zo intrigerend en kleurrijk als hij. Oudste zoon Clem lijkt aanvankelijk de niets-aan-de-hand (want weliswaar niet populair op school, maar wel slim, sympathiek en eigenzinnig) oudste broer, maar oh, oh, wat blijkt Franzen je een eindje verderop ineens om de tuin geleid te hebben, wanneer hij beschrijft hoe het deze jongen als eerstejaars aan een naburige universiteit vergaat. Zijn iets jongere zus en soulmate Rebecca, het enige meisje in het gezin, lijkt evenals haar broer een zonnige toekomst tegemoet te gaan, maar ze verschilt op twee cruciale punten van haar broer Clem: ze is mega-populair op school, maar maakt zich wel om de haverklap zorgen over haar oppervlakkigheid (niet geheel onterecht, zo kun je als lezer wel oordelen). Dan zijn daar nog het derde kind (de briljante, eigenwijze, maar o zo verslavingsgevoelige Perry), de langzaam ontsporende moeder van het gezin (Marion) en het vierde kind, een jongen die Judson heet en over wie je het minste te weten komt, temeer daar hij als enige van het gezelschap geen stem krijgt van de schrijver.

Het gaf mij meteen te denken of binnen de autobiografische wereld van Jonathan Franzen (hij komt zelf uit een middelgroot gezin met drie kinderen) hij zelf misschien wel het meest verwant is aan dit Judson-personage. Qua tijd zou dit in elk geval aardig kloppen. Het verhaal speelt zich af eind 1971, begin 1972 en in het echte leven zal Franzen toen ongeveer dezelfde leeftijd hebben gehad als de benjamin van het gezin Hildebrandt in Kruispunt.

Het knapst aan Franzens schrijfstijl is misschien wel hoe hij met het begrip tijd omgaat en hoe hij door hiermee te spelen de spanning opvoert. Binnen de perspectiefwisselingen kom je via flash-backs van alles te weten over het recente verleden, maar tegelijkertijd werken de personages toe naar twee zinderende apotheoses. De eerste valt samen met de laatste dag voor Kerstmis 1971, de tweede met de laatste dagen voor Pasen 1972. Hoe vaak de schrijver ook uitweidt, nergens vergeet je als lezer dat op de achtergrond een zekere dreiging sluimert, en dat er een moment gaat komen dat alle spannende verhaallijntjes op een (voor de personages misschien wel verschrikkelijke) climax zullen uitlopen.

Wat mij op de uiteindelijk hamvraag van dit stuk brengt: zijn de personages en hun wederwaardigheden net zo interessant als de zalm-stelende Chip in De Correcties en de katten-hatende vogel-liefhebbende Walter in Vrijheid? Absoluut! Ik durf zelfs te zeggen dat bij ieder gezinslid (op de jonge Judson na) wel iets te ontdekken is wat je lang na het lezen van de roman nog zal bijblijven.

Één ding mag daarom niet onvermeld blijven. In tegenstelling tot zijn eerdere romans lijkt Franzen (las ik ergens in een interview) bij Kruispunt de deur open te houden naar een mogelijk vervolgdeel of zelfs mogelijke vervolgdelen. Laten we het hopen, want het einde van Kruispunt voelt, in tegenstelling tot de eindes van De Correcties en Vrijheid, allerminst als een punt achter het verhaal.

Trump en de Bourgondiërs

Het is woensdag 6 januari 2021. Door een vervelende knieblessure en een of ander virus ben ik al dagen aan huis gekluisterd. De pijnlijke knie zorgt voor nachten met weinig slaap (de zoektocht naar een lichaamshouding zonder pijn eindigt steevast met de conclusie dat die houding niet bestaat) en voor het eerst sinds jaren slaap ik weer eens met een mobiele telefoon naast mijn bed.

Daar blijkt in de Kobo-app godzijdank nog een luisterboek beschikbaar te zijn, ooit in een opwelling aangeschaft, maar nooit beluisterd. Wanneer zou ik daar ook aan toe moeten komen, in een leven met een drukke baan, een gezin en een hobby (muziekmaken) die je hoofd al uren per week van een koptelefoon voorziet?

Het boek in kwestie is een van de best verkopende geschiedenisboeken van de afgelopen jaren, het lijvige (811 pagina’s!) De Bourgondiërs van de Vlaming Bart van der Loo. Dit is niet de plek om de premisse van het boek (Nederland/België/de Lage Landen hebben hun bestaand voor een groot deel te danken aan De Bourgondiërs) uit te leggen, maar dat De Bourgondiërs een prachtig, in eigentijdse taal verwoorde samenballing van +- 1400 jaar West-Europese geschiedenis is, zou voor liefhebbers moeten volstaan om het te lezen.

Terug naar die bewuste woensdag 6 januari. Terwijl ik met mijn hoofd nog middenin de periode 1350-1450 zit (de hoogtijdagen van het Bourgondische rijk, waarin drie opeenvolgende hertogen, Filips de Stoute, Jan zonder Vrees en Filips de Goede de dienst uitmaken), zie ik in de loop van de avond zich op mijn televisiescherm iets voltrekken wat alleen maar gezien kan worden als een geschiedenisboek in de maak.

Aan de roerige jaren rond 1400 worden in De Bourgondiërs terecht hele hoofdstukken gewijd. In die jaren had dit deel van Europa aan de lopende band te maken met hoog oplopende spanningen tussen enerzijds stedelingen en anderzijds de machthebbers naar wie die stedelingen eigenlijk zouden moeten luisteren. Niet zelden werd deze spanning bewust aangewakkerd door andere, rivaliserende machthebbers. Van der Loo trekt een prachtig lijntje van de opstand van Vlaamse steden die bekend staat als de Slag bij Westrozebeke in 1382 naar de bestorming van de Bastille in Parijs in 1789.

En van laatstgenoemde gebeurtenis (boos volk bestormt belangrijk overheidsgebouw) is het natuurlijk maar een zeer kleine stap naar de bestorming van het Capitool in Washington, een gebeurtenis die nú al een eigen wikipediapagina heeft gekregen. Zou de auteur zelf daar al iets interessants over te melden hebben? Nieuwsgierig tik ik ‘Bart van der Loo bestorming capitool’ in in de zoekmachine. Helaas, het levert geen noemenswaardige resultaten op.

Beste schrijvers: David Mitchell – Utopia Avenue


Misschien is het je ontgaan, maar afgelopen zomer bracht de beste Engelstalige schrijver van de afgelopen twintig jaar, David Mitchell, weer eens een boek uit. Het prachtige Utopia Avenue volgt maar liefst 576 pagina’s lang de ‘beste 60’s rockband waar je nog nooit van gehoord hebt’: Utopia Avenue. Je voelt bij het lezen ervan aan alles: de schrijver van dit boek is behalve een fantastische schrijver een zeer gepassioneerd muziekliefhebber.

De tijd waarin de roman zich afspeelt is zeer specifiek: de jaren 1967 en 1968. Het zijn jaren die de schrijver zelf niet meegemaakt heeft, of het moet in de baarmoeder zijn geweest: hij is geboren op 12 januari 1969. En toch weet hij alle details van die tijd – of het nu gaat om liedjes, artiesten, kleding, plaatsen in bekende grote wereldsteden, sferen – zó precies te beschrijven, dat het lijkt dat je er als lezer zelf bij bent.

Boven alles is Utopia Avenue een boek over de vreugde van samen musiceren, over de magie van het lied: waar komt het vandaan, hoe ontstaat het, hoe verandert het van iets ultra-persoonlijks in het hoofd van de liedjesschrijver in iets wat hele volksstammen in hun ziel verankerd hebben en op elk gewenst moment kunnen meeneuriën, -zingen of -blèren? Hoe kan het dat een lied iedere keer dat het uitgevoerd wordt voor een publiek anders is, een eigen leven en een eigen ziel lijkt te hebben, zélfs voor de maker en uitvoerder ervan? Ik had tot nu nooit eerder een boek gelezen waarin de schrijver (en dat zeg ik als iemand die al +- 45 jaar gitaarspeelt en gedurende 25 jaar deel uitmaakte van talloze bandjes), het gevoel van het samen muziek bedenken en uitvoeren, zó goed weet over te brengen.

Als je geen Engelstalige boeken leest, heb je nog niet de kans gehad om van deze fantastische roman te genieten; Utopia Avenue verschijnt namelijk pas op 29 september in het Nederlands. Houd je van fantasierijke boeken en/of ben je een muziekliefhebber? Doe jezelf dan een lol en zorg ervoor dat je die datum met dikke letters in je agenda zet.

Boekbespreking: De Pop

Al een paar jaar lag er een dikke pil klaar in onze boekenkast. Een dikke pil met de simpele, doch welluidende titel De Pop. Ok, 926 lijkt wat veel, maar daar krijg je dan wel een boek met een simpele, doch welluidende titel voor en een prachtige kaft-illustratie:

de pop

Waarom besloot ik na meer dan drie jaar ineens toch om dit boek ter hand te nemen? Daar was een reis naar Polen voor nodig. Door omstandigheden zou ik voor het eerst in mijn leven naar dit indrukwekkend grote Oost-Europese land reizen voor een stedentrip met gids en toen ik dit te horen kreeg, ging ergens ver weg in mijn bovenkamer heel zwak een klein lampje branden, begeleid door een zacht fluisterend stemmetje: ‘De Pop! De Pop! De Pop!’

Wat is nou een mooiere gelegenheid om de Grote Poolse Roman te lezen dan tijdens een zesdaagse trip naar Polen? Nou, misschien een twee en een halve maand durende trip naar Polen! Want zoveel tijd had ik er uiteindelijk voor nodig om alle 926 pagina’s door te komen. Maar het was het waard!

Waar gaat hij dan over, die Grote Poolse Roman, geschreven door Bolesław Prus, uitgegeven in 1890? Over de geleidelijke, maar daardoor niet minder pijnlijke transitie van de macht van de oude adel naar die van de nieuwe rijken. We konden daar de afgelopen jaren al meer over lezen in Geert Maks prachtige De levens van Jan Six. Maar De Pop gaat ook over pure, onversneden 19e eeuwse romantiek met een grote R. De Pop bevat, net als z’n Nederlandse evenknie Max Havelaar, een licht komisch karakter in de persoon van de sympathieke oude winkelbediende Ignacy Rzecki, wiens heerlijke nostalgische Napoleon-verlangens tot de lezer komen in wonderbaarlijk tijdloos aandoende dagboekfragmenten. Je ziet hem zo voor je, als ie tegen je ‘praat’.\

Maar het hart van het boek is toch de ongrijpbare Stanisław (Staś, of Stach voor intimi) Wokulski, een personage zo barstensvol tegenstrijdigheden dat de lezer er bij tijd en wijle moedeloos van wordt. Maar toch lees je door. Waarom? Omdat Wokulski en de andere personages stuk voor stuk echte mensen worden voor je, zo echt dat je soms denkt dat ze je bijna aanraken door het papier (ok, papier was hier meestal E-reader; ik ga echt niet zo’n dikke pil meenemen op een backpackvakantie).

Aan ene kant is Wokulski een man die overloopt van levenslust. Hij is slim, had eigenlijk de wetenschap in willen gaan om uitvindingen te doen (het vliegtuig!), maar eindigt via een ongelukkig huwelijk en de uiteindelijke dood van zijn echtgenote als eigenaar van een winkel in zogenaamde galanterieën (een soort luxe winkel van Sinkel). Aan het begin van de roman lezen we via het dagboek van de oude klerk Rzecki dat Wokulski na een korte periode van reizen naar het buitenland is teruggekeerd als een zeer rijk en succesvol zakenman. Maar waarom wil deze passionele man van de wetenschap rijk en succesvol zijn? Inderdaad, hoe kan het ook anders in een verhaal uit de Romantiek, door de hartstochtelijke liefde voor een al even ongrijpbaar personage als hij zelf: de beeldschone, adellijke Izabela Łęcka.

Aangezien dit een roman is in de stijl van de Grote Russen (lees: vuistdikke pillen met gigantische hoeveelheden goed uitgewerkte personages) zou ik het boek tekortdoen als ik zou beweren dat de charme ervan zich beperkt tot bovengenoemde personages.

Weer gewoon

‘En nu kunnen we weer gewoon naar huis gaan,’ riep Nella Della.
‘En naar school!’ riep Johannes. ‘Ik wil best weer naar school.’
‘En naar het zwembad en we kunnen weer gewoon spelen op straat, en we hoeven niet meer bang te zijn voor de mensen en nooit meer weg te kruipen!’

Uit Annie M.G. Schmidts Wiplala (1957)

Mensheidje, mensheidje toch!

Ik ben nu geloof ik al een jaar of vijftien fan van de kunstenaar-satiricus Gummbah. Ik vond ooit bij een ex-vriendin een van zijn cartoon-boekjes, nam het mee naar de wc en kwam er na vele onbedaarlijke schaterlachbuien pas weer vanaf. Inmiddels bezit ik zelf enkele van zijn boeken en boekjes, waarvan het geniale Net niet verschenen boeken denk ik mijn favoriet is.

Mijn wederhelft is iets minder fan, maar haar gevoel voor humor is ver genoeg ontwikkeld om gezamenlijk van de briljante cartoons te kunnen genieten. Het Gummbah-idioom zit inmiddels zo in onze systemen verankerd dat we soms – bij de aanblik van alles wat lelijk is in het leven (mensen, dieren, meubels, dingen, gebouwen, situaties, taferelen) – elkaar maar hoeven aan te kijken om vast stellen: ‘Inderdaad: Gummbah.’

Bij het lezen van de krant moest ik vanochtend even aan een van zijn cartoons denken. Iemand zit op een stoel in zijn woonkamer het boek Mein Kampf te lezen en zegt: ‘Adolfje, Adolfje toch.’ Bij een artikel over het afkalven van gigantische gletsjers op Antarctica (daar is ie dan eindelijk weer eens, de naam van mijn blog) en het supersnel stijgen van de zeespiegel, dacht ik aan een mogelijke Gummbah-cartoon. Een man met een baard (lees: God) zit op een stoel in de hemel en kijkt naar de aarde. Hij schudt bedenkelijk het hoofd en zegt: ‘Mensheidje, mensheidje toch!’

Kerstvakantie

En dan is het ineens kerstvakantie en mag je zomaar even een dagje de stad in. Wat doe je dan met die onverwachte weelde? Heel veel twijfelen, zeker als je net bezig bent in Nooit meer te druk, het bekende zelfhulpboek van Tony Crabbe. Die schrijft dat je zoveel mogelijk moet voorkomen dat je constant aan het werk bent.

Maar ja, wat als je nou juist in de vakantie nog een belangrijke deadline hebt en je heel blij bent als je op de eerste dag even helemaal weg kan, zodat je dan al even je tanden kan zetten in het werk dat toch ergens in die twee-weken-durende ‘zee van vrijheid’ af moet? Dan probeer je zo goed en kwaad als het gaat maar eens wat Crabbe-wijsheden met elkaar te combineren. Dus wél een boek mee, zodat je ergens op een rustig plekje lekker uren kan lezen en de tijd vergeten, maar toch ook maar die laptop (sorry, Tony!) in de rugzak, omdat ieder café tegenwoordig wifi heeft, en het ook wel lekker is om dat eerder genoemde beginnetje aan het deadlinewerk vast te maken. Daartegenover kan dan weer het – na een kwartier tobben bij de kassa (sorry, Tony, het moést gewoon weer beredeneerd, betwijfeld en afgewogen worden!) – gekochte bioscoopkaartje gesteld worden, dat straks anderhalf uur niet werken (maar daarmee helaas niet gegarandeerd anderhalf uur lang niet aan werk denken) zal opleveren.

Sorry voor dit vre-se-lijk saaie 2018-blogje, maar wat vakantie mij dus ook oplevert: zin om te bloggen én tegelijkertijd de lichte stress van ‘dus-nu-moet-er-iedere-dag-wel-een-blogje-vanaf-kunnen’.

Mocht ik na vandaag bovengenoemde streven nog hebben, dan is de kop er in elk geval af!

De film in kwestie is trouwens Bohemian Rhapsody; alle andere films die draaiden hadden iets melodramatisch in het verhaal en hoewel het verhaal over de rockband Queen en zijn inmiddels overleden frontman dat ongetwijfeld ook heeft, kun je bij niets zo lekker wegdromen als bij muziek.

 

nooitmeertedruk

bohemian rhapsody film

Jan van Aken – De ommegang

De ommegang

Wat als je jezelf zou kunnen aanleren om álles, maar dan ook werkelijk álles wat je leest te onthouden? Een interessante, hoewel misschien niet meer zo urgente vraag. Tegenwoordig heeft immers vrijwel iedereen een klein apparaatje in zijn broekzak, waarin alle kennis ooit vergaard 24 uur per dag beschikbaar is. Wie heeft er met een van wifi-netwerken vergeven aardbol nog zoiets ouderwets als een geheugen nodig?

De hoofdpersoon van De ommegang, de zevende roman van Jan van Aken, lukt het daadwerkelijk om iedere tijdens zijn leven gelezen zin woordelijk te onthouden. Als kennis macht is, zou je denken, moet deze Isidoor welhaast een van de machtigste personen van zijn tijd zijn.  Zijn tijd, dat is de late 14e en de vroege 15e eeuw, waarin het nog een ruime zeshonderd jaar wachten was op de eerste smartphone. Meer dan 600 pagina’s lang mag de lezer zich verbazen over wat Isidoor allemaal kan met zijn gave, maar vooral ook over wat hij er uiteindelijk niet mee doet.

Dat laatste is uiteindelijk een zegen voor de lezer. Van Aken vond het gelukkig niet zo interessant om van zijn hoofdpersoon een platte hedonist te maken die zijn kennis louter inzet voor vluchtige geneugten. Waarmee niet gezegd is dat hij zich daarin niet onderdompelt. Integendeel, net als iedere Middeleeuwer drinkt hij zich bij tijd en wijle ongans aan bier en wijn en ook van de vleselijke lusten onthoudt hij zich niet, in de meeste gevallen met dank aan een keur aan dames van lichte zeden.

Die drank en die vrouwen weerhouden hem er niet van om de halve wereld rond te zwerven, iets wat wel meer hoofdpersonen in Van Aken-romans gedaan hebben. Isidoor begint als vondeling in Noord-Engeland om vervolgens via Parijs, Bologna, Turkije en Oezbekistan zelfs helemaal in China te belanden, het land waar ‘Polo’ ooit ook heen reisde. Na al die omzwervingen komt hij uiteindelijk terecht in het Zuid-Duitse Konstanz, precies in de periode dat daar het beroemde concilie plaatsvond.

Als je dat laatste leest denk je misschien dat deze roman bolstaat van de historische feiten over de genoemde periode, maar dat is gelukkig niet zo. Bij Van Aken dienen zijn de feiten altijd ondergeschikt aan het verhaal en dat is maar goed ook, want verhalen vertellend is hij op zijn best. Er zijn trouwens wel recensenten die dat irritant vinden, het af en toe strooien met historische feitjes, maar het ondertussen niet zo nauw nemen met hoe het écht zat. Ik zat er niet zo mee. Natuurlijk weet ik ook wel dat er in 1400 nog niet zoiets als Italië bestond en dat mensen het nog niet over Italianen hadden, maar als de hoofdpersoon in het cosmopolitische Konstanz een stamkroeg heeft met een Fransman, een Duitser en een Italiaan is het natuurlijk ook gewoon geestig om je voor te stellen dat stereotypen van alle tijden zijn (de Italianen zijn bijvoorbeeld modieus en houden van lekker eten).

Het op dit blog eerder beschreven Nobel streven van Frits van Oostrom ging over een Hollandse ridder die in ongeveer dezelfde tijd leefde als Isidoor uit De ommegang. Sterker nog, er is in Van Oostroms boek zelfs een behoorlijk grote rol weggelegd voor een man die aan het eind van Van Akens roman ook nog even opduikt als antagonist van de hoofdfiguur. Het gaat om de beroemde Parijse theoloog en academicus Jean de Gerson. Zelf had ik er geen enkele moeite mee om een figuur die ik historisch feitelijk en waarheidsgetrouw had leren kennen bij Van Oostrom over te plaatsen naar de goeddeels aan Van Akens fantasie ontsproten wereld.

Als laatste wil ik nog de rol noemen die architectuur in het boek speelt. Isidoor kiest er dan aanvankelijk wel voor om dokter te worden, maar dit doet hij alleen omdat hij denkt alleen daarmee zijn droom kan verwezenlijken om als architect grote kathedralen te bouwen. Er zitten heerlijke passages in dit boek waarin middeleeuwse bouwwerken een grote rol spelen. Van Aken laat zijn Isidoor met dezelfde verwonderde blik naar een kathedraal kijken als die wij zelf vandaag de dag nog hebben: hoe krégen ze het allemaal voor elkaar?

Isidoor kan het zelf ook amper bevatten, maar als hij voor het eerst met eigen ogen de kathedraal van Salisbury mag aanschouwen en zich zelfs even bemoeit met bouwwerkzaamheden aan de hoge toren kun je niet anders dan gniffelen om de scherpzinnigheid en betweterigheid waarmee hij dit doet. Van Akens hoofdfiguur ziet meteen dat de constructie van genoemde toren niet deugt en weet zeker dat die anders en beter had gekund. Ik kon niet anders dan even googelen op kathedraal van Salisbury om in elk geval plaatjes te bekijken en kwam er toen achter dat de stevigheid van de toren in kwestie inderdaad lange tijd problematisch is geweest. Het middeleeuwse bouwproces is niet dusdanig uitvoerig gedocumenteerd dat we precies weten hoe het allemaal in zijn werk ging, maar van Aken heeft in deze scene in Salisbury precies wat interessante elementen verwerkt waardoor je voelt dat je er toch echt even bij bent. Een tipje van de sluier: om zware blokken steen te kunnen hijsen lieten ze zeshonderd jaar geleden mannen in grote raderen rennen.

Als hij later in het boek in Samarkand (Oezbekistan) belandt, is Isidoor niet alleen getuige van een machtig bouwwerk – een moskee – maar mag hij deze voor de beroemde wrede heerser Timoer Lenk zelfs voltooien. Ook deze Bibi Khanun-moskee heb ik opgezocht en – verdomd als het niet waar is – ook deze moskee heeft te kampen gehad met bouwfouten en imperfecties. Het is dan ook nogal een complex proces in de architectuur, het bouwen van een perfecte koepelconstructie.

Conclusie van het verhaal: de boeken van Van Aken zijn een klein beetje leerzaam, maar vooral heel leuk. (Een beetje een laffe zin zin om deze boekbespreking af te sluiten, maar ik kan nog wel alinea’s lang doorgaan over dit boek, merk ik, en het moet ook een keer klaar zijn.)

Aanvulling: ik ontdekte zojuist nog dit prachtige stuk, geschreven door Jeroen Vullings en gepubliceerd in Vrij Nederland.

Het Spokenboek

spokenboek

Zie hier het lievelingsboek van mijn zoon (bijna 3). Al vanaf het moment dat hij in de bieb – hij kon amper praten – ‘spokenboek!’ uitriep en het dolblij mee naar huis nam is het aan, tussen het spokenboek en mijn zoon. ‘ Zoals het een goed prentenboek betaamd gaat het hier om de tekeningen en blijft de tekst tot een minimum beperkt. Op de eerste bladzijden staat nog ‘Midden in de nacht in mijn tuin’, op de hiernavolgende pagina’s ‘zag ik….’ en dan heb je het qua tekst wel gehad. Meer hoef je ook eigenlijk niet te weten, want het gaat om de verbeelding. Die moet de rest van het verhaal zelf in elkaar gaan zetten. En dat lukt dus zelfs bij kinderen van 1+ al. Ontelbare keren heeft mijn zoon ‘Spokenboek lezen!’ gezegd, sinds die liefde op het eerste gezicht in de bibliotheek.

Een goed prentenboek laat je iedere keer weer nieuwe dingen ontdekken en dat is bij het spokenboek niet anders. Zonder al te veel te verklappen: de spookjes hebben hier eigenlijk de functie die kaboutertjes vroeger hadden. Omdat ze zo klein zijn kun je als kind prima geloven dat ze, ondanks dat je ze nooit ziet, toch écht bestaan en net als kabouters zijn ze in de regel niet eng of gemeen, maar eerder schattig en lief. Behalve hun geringe postuur is er natuurlijk nog een verklaring voor het feit dat je ze nooit ziet: ze zijn alleen ’s nachts actief. Ik vind dat overigens een zeer realistische verklaring. Ik loop in het bos al jaren langs een dassenburcht, soms zichtbaar recentelijk aan alle kanten omgewoeld, maar een echte das heb ik in al die tijd nog nooit met eigen ogen waargenomen. Tot mijn grote spijt, overigens. Daarover in een ander stukje op dit blog hopelijk nog eens meer.

Wat ik zelf geniaal vind aan de in dit boek figurerende spookjes: het zijn eigenlijk net mensen. Ze zijn continu bezig met werken, in dit geval bouwen, terwijl ze eigenlijk niet precies weten waarom, hoe en wat, waarvoor, hoe lang etc. Weten wij ook eigenlijk allemaal niet, hoewel gelovigen ongetwijfeld anders zullen beweren. De spookjes zijn net een soort beschaving: eerst is er niks, dan zijn er wezens die van alles en nog wat doen en de wereld (‘mijn tuin’ uit de titel) radicaal veranderen en daarna wordt dit allemaal langzaam weer stelselmatig afgebroken. Niet dat de spookjes daarmee zitten; ze lijken er eerder in te berusten dat alles tegen het ochtendgloren weer zorgvuldig weggehaald moet zijn. Het is natuurlijk ook logisch dat ze dit doen. Als je je status als mythisch wezen wilt behouden kun je er maar beter voor zorgen dat de mensheid je bestaan zoveel mogelijk in twijfel trekt.

Wat ook opvalt aan prentenboeken voor kinderen: de tekenaars van deze boeken zoeken allemaal naar een eigen, unieke stijl en sommigen slagen daar zo wonderwel in dat je hun werk ook prima los van de kindercontext in een museum (in dit geval voor moderne kunst) zou kunnen exposeren. Als je googelt op Séverin Millet, de Franse geestelijke vader van het spokenboek, zie je meteen wat ik bedoel: deze man heeft veel meer in zijn mars dan alleen prentenboeken voor kinderen voortbrengen. Iemand anders die dat trouwens ook kan is de Finse Aino Maija Metsola.

Lang verhaal kort: zijn kinderprentenboeken alleen leuk voor kinderen? Absoluut niet!

NB Inmiddels hebben we net boek uiteraard aangeschaft, zodat we het niet meer uit de bieb hoeven te halen.