Weer gewoon

‘En nu kunnen we weer gewoon naar huis gaan,’ riep Nella Della.
‘En naar school!’ riep Johannes. ‘Ik wil best weer naar school.’
‘En naar het zwembad en we kunnen weer gewoon spelen op straat, en we hoeven niet meer bang te zijn voor de mensen en nooit meer weg te kruipen!’

Uit Annie M.G. Schmidts Wiplala (1957)

Mensheidje, mensheidje toch!

Ik ben nu geloof ik al een jaar of vijftien fan van de kunstenaar-satiricus Gummbah. Ik vond ooit bij een ex-vriendin een van zijn cartoon-boekjes, nam het mee naar de wc en kwam er na vele onbedaarlijke schaterlachbuien pas weer vanaf. Inmiddels bezit ik zelf enkele van zijn boeken en boekjes, waarvan het geniale Net niet verschenen boeken denk ik mijn favoriet is.

Mijn wederhelft is iets minder fan, maar haar gevoel voor humor is ver genoeg ontwikkeld om gezamenlijk van de briljante cartoons te kunnen genieten. Het Gummbah-idioom zit inmiddels zo in onze systemen verankerd dat we soms – bij de aanblik van alles wat lelijk is in het leven (mensen, dieren, meubels, dingen, gebouwen, situaties, taferelen) – elkaar maar hoeven aan te kijken om vast stellen: ‘Inderdaad: Gummbah.’

Bij het lezen van de krant moest ik vanochtend even aan een van zijn cartoons denken. Iemand zit op een stoel in zijn woonkamer het boek Mein Kampf te lezen en zegt: ‘Adolfje, Adolfje toch.’ Bij een artikel over het afkalven van gigantische gletsjers op Antarctica (daar is ie dan eindelijk weer eens, de naam van mijn blog) en het supersnel stijgen van de zeespiegel, dacht ik aan een mogelijke Gummbah-cartoon. Een man met een baard (lees: God) zit op een stoel in de hemel en kijkt naar de aarde. Hij schudt bedenkelijk het hoofd en zegt: ‘Mensheidje, mensheidje toch!’

Michael Gratovich, gitarist

Zit ik ter voorbereiding/bij wijze van voorpret (straks tijdens- en napret) op een reis naar Polen Boreslav Prus’ beroemde roman De pop te lezen, wordt er op bladzijde 14 door de verteller bekendgemaakt dat er bij een personage een gitaarkoffer onder zijn bed ligt. De roman speelt zich af rond 1880, en ineens besef ik dat ik geen idee heb hoe gitaren er in die tijd uitzagen of hoe ze klonken.

In mijn hoofd begon de geschiedenis van de gitaar ergens bij de jazz, blues en later rock ’n roll in de Verenigde Staten van de 20e eeuw. Dat er in het Warschau van de late 19e eeuw ook mensen gitaar speelden, is niet iets waar ik me dagelijks mee bezighoud. Tot nu.

Ik besluit toch maar eens wat onderzoek te doen en stuit op het volgende filmpje van de gitarist Michael Gratovich, die volgens de begeleidende tekst op een Franse gitaar uit 1810 (!!!) speelt. Prachtige, oorstrelende muziek, die wat mij betreft veel meer dan de 9968 views verdient die ze tot nu gekregen heeft. Oordeel zelf. Die gitaar mag er trouwens ook zijn.

Kerstvakantie

En dan is het ineens kerstvakantie en mag je zomaar even een dagje de stad in. Wat doe je dan met die onverwachte weelde? Heel veel twijfelen, zeker als je net bezig bent in Nooit meer te druk, het bekende zelfhulpboek van Tony Crabbe. Die schrijft dat je zoveel mogelijk moet voorkomen dat je constant aan het werk bent.

Maar ja, wat als je nou juist in de vakantie nog een belangrijke deadline hebt en je heel blij bent als je op de eerste dag even helemaal weg kan, zodat je dan al even je tanden kan zetten in het werk dat toch ergens in die twee-weken-durende ‘zee van vrijheid’ af moet? Dan probeer je zo goed en kwaad als het gaat maar eens wat Crabbe-wijsheden met elkaar te combineren. Dus wél een boek mee, zodat je ergens op een rustig plekje lekker uren kan lezen en de tijd vergeten, maar toch ook maar die laptop (sorry, Tony!) in de rugzak, omdat ieder café tegenwoordig wifi heeft, en het ook wel lekker is om dat eerder genoemde beginnetje aan het deadlinewerk vast te maken. Daartegenover kan dan weer het – na een kwartier tobben bij de kassa (sorry, Tony, het moést gewoon weer beredeneerd, betwijfeld en afgewogen worden!) – gekochte bioscoopkaartje gesteld worden, dat straks anderhalf uur niet werken (maar daarmee helaas niet gegarandeerd anderhalf uur lang niet aan werk denken) zal opleveren.

Sorry voor dit vre-se-lijk saaie 2018-blogje, maar wat vakantie mij dus ook oplevert: zin om te bloggen én tegelijkertijd de lichte stress van ‘dus-nu-moet-er-iedere-dag-wel-een-blogje-vanaf-kunnen’.

Mocht ik na vandaag bovengenoemde streven nog hebben, dan is de kop er in elk geval af!

De film in kwestie is trouwens Bohemian Rhapsody; alle andere films die draaiden hadden iets melodramatisch in het verhaal en hoewel het verhaal over de rockband Queen en zijn inmiddels overleden frontman dat ongetwijfeld ook heeft, kun je bij niets zo lekker wegdromen als bij muziek.

 

nooitmeertedruk

bohemian rhapsody film

Jan van Aken – De ommegang

De ommegang

Wat als je jezelf zou kunnen aanleren om álles, maar dan ook werkelijk álles wat je leest te onthouden? Een interessante, hoewel misschien niet meer zo urgente vraag. Tegenwoordig heeft immers vrijwel iedereen een klein apparaatje in zijn broekzak, waarin alle kennis ooit vergaard 24 uur per dag beschikbaar is. Wie heeft er met een van wifi-netwerken vergeven aardbol nog zoiets ouderwets als een geheugen nodig?

De hoofdpersoon van De ommegang, de zevende roman van Jan van Aken, lukt het daadwerkelijk om iedere tijdens zijn leven gelezen zin woordelijk te onthouden. Als kennis macht is, zou je denken, moet deze Isidoor welhaast een van de machtigste personen van zijn tijd zijn.  Zijn tijd, dat is de late 14e en de vroege 15e eeuw, waarin het nog een ruime zeshonderd jaar wachten was op de eerste smartphone. Meer dan 600 pagina’s lang mag de lezer zich verbazen over wat Isidoor allemaal kan met zijn gave, maar vooral ook over wat hij er uiteindelijk niet mee doet.

Dat laatste is uiteindelijk een zegen voor de lezer. Van Aken vond het gelukkig niet zo interessant om van zijn hoofdpersoon een platte hedonist te maken die zijn kennis louter inzet voor vluchtige geneugten. Waarmee niet gezegd is dat hij zich daarin niet onderdompelt. Integendeel, net als iedere Middeleeuwer drinkt hij zich bij tijd en wijle ongans aan bier en wijn en ook van de vleselijke lusten onthoudt hij zich niet, in de meeste gevallen met dank aan een keur aan dames van lichte zeden.

Die drank en die vrouwen weerhouden hem er niet van om de halve wereld rond te zwerven, iets wat wel meer hoofdpersonen in Van Aken-romans gedaan hebben. Isidoor begint als vondeling in Noord-Engeland om vervolgens via Parijs, Bologna, Turkije en Oezbekistan zelfs helemaal in China te belanden, het land waar ‘Polo’ ooit ook heen reisde. Na al die omzwervingen komt hij uiteindelijk terecht in het Zuid-Duitse Konstanz, precies in de periode dat daar het beroemde concilie plaatsvond.

Als je dat laatste leest denk je misschien dat deze roman bolstaat van de historische feiten over de genoemde periode, maar dat is gelukkig niet zo. Bij Van Aken dienen zijn de feiten altijd ondergeschikt aan het verhaal en dat is maar goed ook, want verhalen vertellend is hij op zijn best. Er zijn trouwens wel recensenten die dat irritant vinden, het af en toe strooien met historische feitjes, maar het ondertussen niet zo nauw nemen met hoe het écht zat. Ik zat er niet zo mee. Natuurlijk weet ik ook wel dat er in 1400 nog niet zoiets als Italië bestond en dat mensen het nog niet over Italianen hadden, maar als de hoofdpersoon in het cosmopolitische Konstanz een stamkroeg heeft met een Fransman, een Duitser en een Italiaan is het natuurlijk ook gewoon geestig om je voor te stellen dat stereotypen van alle tijden zijn (de Italianen zijn bijvoorbeeld modieus en houden van lekker eten).

Het op dit blog eerder beschreven Nobel streven van Frits van Oostrom ging over een Hollandse ridder die in ongeveer dezelfde tijd leefde als Isidoor uit De ommegang. Sterker nog, er is in Van Oostroms boek zelfs een behoorlijk grote rol weggelegd voor een man die aan het eind van Van Akens roman ook nog even opduikt als antagonist van de hoofdfiguur. Het gaat om de beroemde Parijse theoloog en academicus Jean de Gerson. Zelf had ik er geen enkele moeite mee om een figuur die ik historisch feitelijk en waarheidsgetrouw had leren kennen bij Van Oostrom over te plaatsen naar de goeddeels uit de goeddeels uit Van Akens fantasie ontsproten wereld.

Als laatste wil ik nog de rol noemen die architectuur in het boek speelt. Isidoor kiest er dan aanvankelijk wel voor om dokter te worden, maar dit doet hij alleen omdat hij denkt alleen daarmee zijn droom kan verwezenlijken om als architect grote kathedralen te bouwen. Er zitten heerlijke passages in dit boek waarin middeleeuwse bouwwerken een grote rol spelen. Van Aken laat zijn Isidoor met dezelfde verwonderde blik naar een kathedraal kijken als die wij zelf vandaag de dag nog hebben: hoe krégen ze het allemaal voor elkaar?

Isidoor kan het zelf ook amper bevatten, maar als hij voor het eerst met eigen ogen de kathedraal van Salisbury mag aanschouwen en zich zelfs even bemoeit met bouwwerkzaamheden aan de hoge toren kun je niet anders dan gniffelen om de scherpzinnigheid en betweterigheid waarmee hij dit doet. Van Akens hoofdfiguur ziet meteen dat de constructie van genoemde toren niet deugt en weet zeker dat die anders en beter had gekund. Ik kon niet anders dan even googelen op kathedraal van Salisbury om in elk geval plaatjes te bekijken en kwam er toen achter dat de stevigheid van genoemde toren inderdaad lange tijd problematisch is geweest. Het middeleeuwse bouwproces is niet dusdanig uitvoerig gedocumenteerd dat we precies weten hoe het allemaal in zijn werk ging, maar van Aken heeft in de genoemde scene in Salisbury precies wat interessante elementen verwerkt zodat je voelt dat je er toch echt even bij bent. Een tipje van de sluier: om zware blokken steen te kunnen hijsen lieten ze zeshonderd jaar geleden mannen in grote raderen rennen.

Als hij later in het boek in Samarkand (Oezbekistan) belandt is hij niet alleen getuige van een machtig bouwwerk – een moskee – maar mag hij deze voor de beroemde wrede heerser Timoer Lenk zelfs voltooien. Ook deze Bibi Khanun-moskee heb ik opgezocht en verdomd als het niet waar is, ook deze moskee heeft te kampen gehad met bouwfouten en imperfecties. Het is dan ook nogal een complex proces in de architectuur, het bouwen van een perfecte koepelconstructie.

Conclusie van het verhaal: de boeken van Van Aken zijn een klein beetje leerzaam, maar vooral heel leuk. (Een beetje een laffe zin zin om deze boekbespreking af te sluiten, maar ik kan nog wel alinea’s lang doorgaan over dit boek, merk ik, en het moet ook een keer klaar zijn.)

Aanvulling: ik ontdekte zojuist nog dit prachtige stuk, geschreven door Jeroen Vullings en gepubliceerd in Vrij Nederland.

 

 

 

Het Spokenboek

spokenboek

Zie hier het lievelingsboek van mijn zoon (bijna 3). Al vanaf het moment dat hij in de bieb – hij kon amper praten – ‘spokenboek!’ uitriep en het dolblij mee naar huis nam is het aan, tussen het spokenboek en mijn zoon. ‘ Zoals het een goed prentenboek betaamd gaat het hier om de tekeningen en blijft de tekst tot een minimum beperkt. Op de eerste bladzijden staat nog ‘Midden in de nacht in mijn tuin’, op de hiernavolgende pagina’s ‘zag ik….’ en dan heb je het qua tekst wel gehad. Meer hoef je ook eigenlijk niet te weten, want het gaat om de verbeelding. Die moet de rest van het verhaal zelf in elkaar gaan zetten. En dat lukt dus zelfs bij kinderen van 1+ al. Ontelbare keren heeft mijn zoon ‘Spokenboek lezen!’ gezegd, sinds die liefde op het eerste gezicht in de bibliotheek.

Een goed prentenboek laat je iedere keer weer nieuwe dingen ontdekken en dat is bij het spokenboek niet anders. Zonder al te veel te verklappen: de spookjes hebben hier eigenlijk de functie die kaboutertjes vroeger hadden. Omdat ze zo klein zijn kun je als kind prima geloven dat ze, ondanks dat je ze nooit ziet, toch écht bestaan en net als kabouters zijn ze in de regel niet eng of gemeen, maar eerder schattig en lief. Behalve hun geringe postuur is er natuurlijk nog een verklaring voor het feit dat je ze nooit ziet: ze zijn alleen ’s nachts actief. Ik vind dat overigens een zeer realistische verklaring. Ik loop in het bos al jaren langs een dassenburcht, soms zichtbaar recentelijk aan alle kanten omgewoeld, maar een echte das heb ik in al die tijd nog nooit met eigen ogen waargenomen. Tot mijn grote spijt, overigens. Daarover in een ander stukje op dit blog hopelijk nog eens meer.

Wat ik zelf geniaal vind aan de in dit boek figurerende spookjes: het zijn eigenlijk net mensen. Ze zijn continu bezig met werken, in dit geval bouwen, terwijl ze eigenlijk niet precies weten waarom, hoe en wat, waarvoor, hoe lang etc. Weten wij ook eigenlijk allemaal niet, hoewel gelovigen ongetwijfeld anders zullen beweren. De spookjes zijn net een soort beschaving: eerst is er niks, dan zijn er wezens die van alles en nog wat doen en de wereld (‘mijn tuin’ uit de titel) radicaal veranderen en daarna wordt dit allemaal langzaam weer stelselmatig afgebroken. Niet dat de spookjes daarmee zitten; ze lijken er eerder in te berusten dat alles tegen het ochtendgloren weer zorgvuldig weggehaald moet zijn. Het is natuurlijk ook logisch dat ze dit doen. Als je je status als mythisch wezen wilt behouden kun je er maar beter voor zorgen dat de mensheid je bestaan zoveel mogelijk in twijfel trekt.

Wat ook opvalt aan prentenboeken voor kinderen: de tekenaars van deze boeken zoeken allemaal naar een eigen, unieke stijl en sommigen slagen daar zo wonderwel in dat je hun werk ook prima los van de kindercontext in een museum (in dit geval voor moderne kunst) zou kunnen exposeren. Als je googelt op Séverin Millet, de Franse geestelijke vader van het spokenboek, zie je meteen wat ik bedoel: deze man heeft veel meer in zijn mars dan alleen prentenboeken voor kinderen voortbrengen. Iemand anders die dat trouwens ook kan is de Finse Aino Maija Metsola.

Lang verhaal kort: zijn kinderprentenboeken alleen leuk voor kinderen? Absoluut niet!

NB Inmiddels hebben we net boek uiteraard aangeschaft, zodat we het niet meer uit de bieb hoeven te halen.