Gedicht

Gaat het nou nog een keer regenen of hoe zit dat?
Als je de afgelopen zomer in één prangende vraag zou moeten vangen
komt deze toch wel akelig in de buurt:
Gaat het nou nog een keer regenen of hoe zit dat?
Wat kan er eigenlijk nog meer ‘prangen’ dan een vraag, en
wat is prangen eigenlijk? Waarom vragen we ons af
hoe iets ‘zit’ en niet hoe iets ‘staat’ of ‘valt’
en is er überhaupt iets dat daarmee staat of valt?
Is het geoorloofd om germanismen in een gedicht te gebruiken
of is das nicht geurlaubt, of ge-vakantied; pardon my
Deutsch.
Gaat het nou nog een keer regenen of hoe zit dat?

Cubaanse muziek

Het is de eerste zaterdag van september, +- 20:45, we zitten samen nog in de achtertuin en hoewel het een prima dag was qua weer voel je aan de vroege duisternis en de frisheid van de buitenlucht toch dat de zomer echt voorbij is. Natuurlijk, de weervoorspellers hebben laten weten dat er nog een echte Indian Summerweek aankomt, maar dat kunnen we ons op dit moment even niet voorstellen. Het is ook een lange dag geweest. Afgelopen woensdag werd mijn zoon 3 en ik 38 jaar. Ik betrap mezelf erop dat ik het verhaal van het mooiste verjaardagscadeau ooit eindeloos aan jan en allemaal wil vertellen, terwijl het me eigenlijk juist zo dierbaar is dat ik het zou moeten verzwijgen. (Dat laatste is me hierbij dus wederom niet gelukt…..;zucht.) Hoe dan ook, vandaag vierden we het en het was een heerlijke dag.

We besloten de ochtend samen door te brengen en pas ’s middags om 15:00 uur bezoek te laten komen. Zo ergens rond 10:30 trad de hangerigheid in bij mijn zoon en gingen we (vader en zoon) er met z’n tweeën op uit om taart te kopen. Toen we net onze straat uit waren en hij ‘ik wil naar de kinderboerderij’ zei, wist ik dat dat precies het juiste was om te doen. Het bleek er open dag te zijn, waardoor het plein was opgeleukt met een luchtkussen en een karretje met kinderboeken uit de nabijgelegen bibliotheek. Het luchtkussen liet hij helemaal links liggen, maar hij werd op slag verliefd op de twee nieuwe driewieler-trapfietsjes-met-kiepbak. Na drie kwartier heerlijk spelen gingen we twee taarten halen bij de Hema en in de auto beloofde ik hem al dat hij er sowieso één mocht uitkiezen. Helemaal verguld was hij uiteindelijk met de ‘Red Velvet’.

Tussen 15:00 en circa 20:00 uur is het één lange reeks van mega-indrukken voor de kersverse driejarige. Opa’s en oma’s, ooms en tantes, twee nichtjes van ‘1 jaar-min-een-paar-maanden’, een klein zenuwachtig kef-hondje en eindeloos veel grote en kleine cadeaus: het is een wonder dat hij uiteindelijk toch nog in slaap valt. Als vrouwlief en ik samen in de tuin zitten en de babyfoon eindelijk stil blijft horen we ineens luid en duidelijk ergens in de buurt een Cubaanse live-band spelen. Het klinkt fris, het klinkt aanstekelijk, dansbaar, het klinkt als iets waar je bij wilt zijn, zelfs als je een man van bijna veertig met iets teveel roseetjes en witte wijntjes op bent die eigenlijk naar bed zou moeten. De gedachte ‘ik moet weten waar de muziek vandaan komt’ verdring ik eerst nog, maar als mijn vrouw een paar minuten stil is en ik ook niks meer weet te zeggen besluit ik toch de fiets te pakken en op onderzoek uit te gaan. Wel heb ik even mijn vermoedens uitgesproken naar haar: ‘die half-chique straat hier vlak achter de bosrand, de golfclub, de camping ertegenover of even verderop in het bos-dorp.

Als ik even later van huis wegfiets – het is inmiddels helemaal donker – en de frisse avondlucht opsnuif weet ik dat dit de juiste keuze was. In bijna iedere straat zijn wel één of twee feestjes te bespeuren. Waarom? Wat is er met zo’n eerste weekend van september dat er zoveel feestjes zijn? Of is het het nog steeds lekkere weer of juist de voorspelling dat er nog weer lekker weer aan zit te komen? Vieren de mensen altijd extra veel feestjes als de zomer bijna voorbij is? Ik kom er niet achter, maar de feestjes geven deze avond iets magisch. Bij het ene huis klinkt vanuit de achtertuin ‘pubermuziek’, bij een ander huis kijk je dwars door het raam beneden aan de voorkant naar binnen en zie je zowel grijze mensen als jonge kinderen dansen en swingen op een oude net-niet-hit van Jamiroquai. Maar hoewel ik hemelsbreed juist dichter bij de Cubaanse muziek kom hoor ik er hier juist minder van. Misschien zitten de bomen aan de bosrand het geluid hier ook teveel in de weg. Ik besluit verder te fietsen om in elk geval de golfclub en de camping te checken.

Ik rijd de straat van de golfclub en de camping in en hoor dat eerstgenoemde locatie (rechts) in elk geval afvalt. Omdat de camping een vrij groot terrein heeft besluit ik in elk geval de oprijlaan uit te rijden om wellicht in de buurt van de slagbomen en de receptie te kunnen luisteren of de band wellicht bij het kantine-gebouwtje, centraal gelegen op het terrein, speelt. Helemaal achteraan op het parkeerterrein zit iemand in een auto televisie te kijken. Hij heeft goed hoorbaar en zichtbaar en voetbal aanstaan, en ik weet niet of het door de roseestjes en rode wijntjes komt, maar ergens geeft deze voetbalkijkende auto-kluizenaar me het gevoel dat ik de voeling met de tijdgeest al een tijdje kwijt ben. Het contrast tussen de onpeilbare eenzaamheid van dit tafereel en de lokroep van Cuba had bijna niet groter kunnen zijn.

Omdat ik het campingterrein als onbevoegde niet durf te betreden en toch het vermoeden heb dat de Cubaanse band niet hier, maar ergens in een achtertuin verderop speelt, besluit ik op mijn fiets mijn weg te vervolgen en verder om de camping heen te rijden. Onderweg wordt het verlangen deze band van dichtbij te zien en te beluisteren alleen maar groter, maar stemt het besef dat dit waarschijnlijk ongepast is me tegelijk enigszins bedroefd. Ik ben niet eens fan van Cubaanse muziek, maar het klinkt zowel tijdloos als iets totaal tijdgebondens, iets van een film, een band, een componist/gitarist waar ik nu in mijn hoofd even niet bij kan komen. Iets wat misschien 20 jaar geleden, toen ik op de middelbare school zat en de toekomst nog ongewis en beloftevol was, in de mode was.

Eindelijk kom ik erachter waar de band speelt, maar zoals ik al verwachtte kan ik hem niet aanschouwen. Er wordt gemusiceerd op een besloten feest in de achtertuin van een voor deze buurt niet eens zo heel protserige villa. Wat me dan weer tegenvalt: in de straat staat het niet eens helemaal vol met auto’s. Hoezo niet? Als je deze geweldige band uitnodigt om in je tuin te komen spelen heb je toch ook wel genoeg mensen uitgenodigd om te komen kijken? En als je uitgenodigd bent, en ze hebben je laten weten dat er een goede Cubaanse band komt, dan pak je toch de auto en ga je naar dat feest? Waar is het misgegaan? Het voelt oneerlijk. De bewoners/organisatoren van het feest zouden nu op straat moeten staan om toevallige voorbijgangers alsnog in hun achtertuin uit te nodigen, maar zoiets gebeurt hier kennelijk niet; niet in dit land, niet in deze buurt, niet in deze straat, niet bij dit huis.

Als ik even later thuiskom en mijn fiets in de schuur heb geparkeerd zie ik dat mijn vrouw nog niet naar bed is maar in de keuken nog wat restjes verjaardags-afwas staat te doen. Ik weet dat mijn mondelinge relaas warrig en veel te gedetailleerd gaat zijn en dat ik het beter voor mijn blog kan bewaren, dus ik besluit haar niks te vertellen over wat ik ontdekt heb (zoveel heb ik nou ook weer niet ontdekt) maar meteen over te gaan tot het typewerk. Mijn blog klaagt nooit over warrig, over hak-op-de-tak, over details die er niet toe doen, over teveel meninkjes die te persoonlijk en onbegrijpelijk zijn: mijn blog luistert gewoon. Als ze even later toch nog even komt zeuren om het verhaal lukt het me wonderwel om bovenstaande acht alinea’s in drie zinnen samen te vatten. Dat laatste lucht me dan weer op. Ze kijkt de twee enige filmpjes die ik vandaag van onze zoon heb gemaakt op de camera en moet er hartelijk om lachen. De dag is klaar.

Terwijl ik over de Cubaanse film, muziek, band, componist/gitarist schrijf, schieten alle namen me – als ware ik een Slimste Mens-kandidaat, ineens te binnen: Buena Vista Social Club, Ry Cooder, etc. Misschien is het tijd om daar alsnog verliefd op te worden. Maar dat er mensen zijn die gelijkwaardige klonen ervan kunnen uitnodigen zonder daar een waardig publiek voor te kunnen zetten, daar kan ik met de beste wil van de wereld niet bij.

Boerengolf eind augustus

Hup, stok-met-klomp onder de arm en het veld in!
Kleine voetbal mee, rammen maar!
[Bedrijfsuitje]
Groen, hoog, nat gras (na droge gele zomerperiode),
doorweekte afgetrapte Nikies (naai-kies).
(Neem toch een extra paar mee om droge aan te kunnen doen naderhand!)

De sfeer is goed, of……

durft niemand de aanstichter van dit geheel eerlijk mede te delen dat any willekeurig bowling- of kano-uitje leuker is dan dit gezwalk door dit verregende met koeienstront besmeurde boeren achterland?

Volgend jaar weer? ’t Valt te bezien.

Mijn paarse ridder

Vandaag kreeg ik jou op school van een collega die het bouwen van jou en je soortgenoten als hobby heeft.

Je zag er prachtig uit en toen ik je even vast mocht houden
bleek je ook heel goed bespeelbaar en had je meteen al een mooie klank,
zelfs onversterkt.

Wekenlang hadden we over en weer contact over houtsoorten, humbuckers, toplagen, trekstangen, body’s en halzen. Het hout mocht ik zelfs in onbewerkte vorm (zware blokken) een weekendje in huis hebben om…ja om wat eigenlijk? Het te besnuffelen? Bepotelen? Bewonderen? (Voor een ongeoefend oog zijn het gewoon houten blokken, maar hoe langer je er naar kijkt, hoe beter je ziet dat iedere houtsoort weer van een andere boom komt en uiteraard daardoor uniek is.)

Ik denk dat je in alles uitmuntend bent, hoewel dat zelfs terreinen betreft waar ik eigenlijk nooit een snars (snaars?) van gesnapt heb. Zo schijnen sommige van jouw soortgenoten te beschikken over een zeldzaam heldere en romige sustain, maar vind ik het nog steeds onmogelijk om dat zonder de benodigde kennis van zaken over je te kunnen zeggen.

Thuis heb ik je ingeplugd en uitversterkt en ook toen klonk je uitmuntend, precies goed voor een onwetend kereltje als ikzelf dat alles op gevoel doet. Op een bepaald moment speelde ik een ritmisch deuntje dat aan zoonlief (3 jr.) zelfs wat spontane danspasjes ontlokte, maar toen hij nieuwsgierig vroeg naar de buizen in de versterker en ik die aan hem probeerde te laten zien begon dat ding ineens een soort onderaards horrorgeluid te maken waarbij het mannetje spontaan in huilen uitbarstte. Toen was het even uit met de pret, want het mannetje moest naar bed.

Toen hij goed en wel in bed lag heb ik eerst bij het laatste daglicht onderstaande foto van je gemaakt. Daarna nam ik je op schoot en heb ik het journaal en De slimste mens gekeken terwijl ik lekker pingelde, tokkelde en strumde op jouw heerlijke lijf.

Daarna tikte ik dit stukje en plakte ik de foto eronder. Ik doopte jou Mijn paarse ridder.

Amen.

DSC03268

Geen ID

‘Ik wil graag mijn paspoort vernieuwen.’
‘Ik zie hier dat u nog een ID-kaart in uw bezit heeft die in 2016 verlopen is. Heeft u die meegenomen?’
‘Nee. Heb ik een ID-kaart? O jee, daar weet ik niks van.’
‘Ja, en verlopen of niet, hij moet ingeleverd worden.’
‘Ik zit even in mijn geheugen te graven. Ik heb dus in 2013 een paspoort aangevraagd omdat ik toen naar de VS reisde voor een bruiloft. Vóór die tijd was een Europese identiteitskaart voldoende, aangezien ik nooit buiten Europa kwam. In mijn herinnering heb ik destijds mijn ID-kaart ingeleverd, maar kennelijk dus niet. Is dat erg?’
‘Niet per se, maar als u hem kwijt bent of hij is ooit gestolen moet u daar een verklaring voor tekenen.’
‘Ok, waarom dan?’
‘Iemand zou er in theorie identiteitsfraude mee kunnen plegen.’
‘Maar mijn kaart is twee jaar geleden verlopen.’
‘Tsja, dat doet er in feite niet zoveel toe. Dit zijn de regels. U kunt wel even thuis gaan zoeken en dan houd ik vanmiddag een plekje voor u vrij. Mocht u de kaart niet gevonden hebben thuis, dan kunt u alsnog de verklaring voor vermissing tekenen.’
‘Prima, dan doe ik dat. Tot straks!’

[twee uur later]

‘Het mysterie is opgelost hoor! Mijn portemonnee is vier jaar geleden gestolen en blijkbaar zat destijds ook mijn ID-kaart daar in. Ik heb het aangifteformulier van destijds meegenomen inclusief een bericht van de politie dat ze de zaak niet hebben kunnen oplossen. Zo letterlijk staat het ook ongeveer in die brief: ‘sorry dat we uw zaak niet hebben kunnen oplossen’. Ik denk dus dat ik er daarna nooit meer bij heb stilgestaan dat mijn ID-kaart in die portemonnee zat.’
‘Prima, dan gaan we zorgen dat u een verklaring van vermissing tekent en dan kunt u gewoon uw nieuwe paspoort aanvragen. Zou u zo vriendelijk willen zijn de wijsvinger van uw linkerhand hier op de scanner te leggen? Dan nemen we even uw vingerafdrukken af.’
‘Akkoord.’

‘Meneer het lijkt erop dat het apparaat uw vingerafdruk niet kan scannen. Wat vreemd, daar hebben we doorgaans eigenlijk nooit last van.’
‘Oh help! Zie je nou wel, mijn ID-kaart is gejat en gebruikt voor vervalsing en mijn identiteit is gestolen en daardoor herkent het apparaat mijn vingerafdruk niet eens meer of iemand heeft stiekem in mijn slaap de huid van mijn wijsvingers getransplanteerd om die op de wijsvingers van mijn nep-ik te plakken en… en…’
‘…oh wacht, meneer, hij doet het al.’
‘Phew!’

NB: sorry, ik wilde eigenlijk een gedicht schrijven, misschien zelfs n.a.v. bovenstaande belevenis, maar het werd uiteindelijk een soort dialoog.

 

Bedjetijd

Met bijna alles is gespeeld.
Kraagdino, graafmachine en kleine Thomas lijken
kriskras door elkaar te staan, maar niets is minder waar:
achter deze schijnbare ordeloosheid gaan eindeloos veel verhalen schuil.
(althans, voor een goede verstaander, die tijd heeft én neemt)
Heb je even?

Dichtweek

Beste bloglezer,

Vanaf heden ga ik proberen iedere dag te posten. Ik heb besloten om mijn creativiteit iets planmatiger in te zetten. Daarom is het deze week gedichtenweek. Iedere dag zal ik een gedicht publiceren op De Laatste IJsschots, niet meer en niet minder. Hieronder mijn eerste toetsenvrucht.

 

Weerzi(e)n

Bij binnenkomst valt het weerzien zwaar;
teveel gezichten, teveel stemmen, teveel verhalen
over vakanties die de jouwe niet waren.

Hoe moet dat ook alweer: je inleven in de ander,
nieuwsgierig zijn, doorvragen niet bang zijn voor ongemakkelijke
stiltes?

Op welk punt in de dag de ommekeer er is
is moeilijk te zeggen, maar dat ie komt staat vast.

Vanzelf gaat het nog niet, maar het is niet eens je eigen verhaal
dat je stiekem graag vertelt, soms wel twee, drie, keer, waarbij
je in je geheugen graaft naar het mooiste moment of juist het spannendste,
die lekke band vlak voor vertrek die toch meteen geplakt kon worden, nee.

Het is een vierdimensionale lach,
een aansporing in woord en beeld die geruststelt en laat weten:
toe maar, vertel maar, je mag er zijn, bij mij mag jij er zijn.