Adele de ‘shuffle-killer’

Dat is me toch ook wat. De ene na de andere muziekfilosoof noemt de opkomst van streamingdiensten als Spotify de doodsteek voor het muziekalbum als hoogwaardige kunstvorm, komt er een Britse zangeres langs die de mogelijkheid om muzieknummers naar believen ‘hap-snap’ te beluisteren via een shuffle-functie door het eerder genoemde Spotify gewoon uit laat zetten!

Allemaal goed en wel en prachtig natuurlijk, zo iemand die als vleesgeworden non-conformist de kont tegen de krib durft te gooien en tegen de mainstream in durft te zwemmen, maar als het muziekalbum levend gehouden moet worden door dit soort trucjes is het denk ik pas écht droevig gesteld met dit artistieke medium.

Want in hoeverre heeft zo’n shuffle-functie (of welke andere manier om door liedjes heen te skippen dan ook) nou echt bijgedragen aan een afnemende waardering voor het muziekalbum? Als ik terug in de tijd ga was het bij de doorbraak van de CD bij het grote publiek ook al zo dat de luisteraar ineens met het grootste gemak de minst leuke liedjes van een album middels één knop op het apparaat dan wel afstandbediening kon uitsluiten van de luistersessie. En daarvoor dan, bij cassettebandjes? Ok, de spoelfunctie was wat onhandig, maar als je hem eenmaal in de vingers had (spoel, stop, luister, spoel, stop, luister; tot je het juiste liedje hebt gevonden) kon je net zo goed het kaf van het koren scheiden bij je lievelingsbandjes.

Was het dan de LP, die goeie ouwe langspeelplaat, die ervoor zorgde dat iedereen áltijd een muziekalbum van A tot Z, in z’n hele glorieuze volledigheid tot zich nam? Natuurlijk niet. Al sinds jaar en dag bestaat er de mogelijkheid om op een of andere manier die arm op te tillen om vervolgens de naald in de juiste groef bij het juiste liedje (even goed tellen en kijken naar de lengte van het betreffende lied) te laten glijden. Kortom: liedjes skippen is van alle tijden.

Is dit dan een pessimistisch blogje geworden? Geenszins hoor! Ik ga nu het nieuwe album van Adele beluisteren. Op Spotify! 🙂

Jonathan Franzen – Kruispunt

Mijn frustratie
Eerst wil ik even een kleine persoonlijke frustratie met je delen. Toen ik een paar jaar geleden met dit blog begon, had ik geen helder beeld van waar ik het precies voor zou gebruiken. Een van de dingen die ik sowieso wel wilde doen was af en toe wat schrijven over boeken en literatuur. Helaas zie ik nu, terugscrollend door alle posts, dat dat laatste maar mondjesmaat gelukt is.

Aan mijn leeshonger heeft het niet gelegen. Er staan inmiddels bijna vijftig boeken op mijn e-reader, die ik niet lang voor het opstarten van mijn blog kocht. Het is een mix van fictie en non-fictie, zowel Engels- als Nederlandstalig, en er zitten amper boeken bij waarvan ik achteraf spijt had dat ik ze las. Naast e-boeken las ik af en toe ook nog ouderwetse papieren boeken. Waarom lukte het me dan maar in een paar gevallen om mijn voornemen om mijn leeservaringen te delen in daden om te zetten? Ik kan eigenlijk maar één plausibele verklaring vinden: de literatuur ligt me te na aan het hart om er zomaar iets over op te schrijven. Als ik het doe, moet ik het ook goéd doen, en omdat ik meestal betwijfel of dat laatste me daadwerkelijk gaat lukken, gooi ik vroegtijdig dan maar het bijltje erbij neer. In de meeste gevallen dan.

Zo verging het me de afgelopen weken ook weer met Jonathan Franzens laatste roman, Kruispunt (‘Crossroads’ in het Engels) geheten. Na aanschaf las ik het in nog geen twee weken uit, wat meteen een groot compliment is aan de schrijver van het boek. Op de een of andere manier schrijft hij altijd zó dat je zijn boeken gewoonweg niet weg kúnt leggen. Maar daar kom ik later op terug. Nadat ik het uit had was ik nog een tijdje helemaal vol van het boek. Ik moest en zou er een blogje over schrijven. Maar wat moest er dan allemaal in? 1001 gedachten gingen door mijn hoofd, maar toen na een week of twee die gedachtenbrij nog geen enkele substantiële vorm had aangenomen, verzandden al mijn eerdere voornemens. Enfin, het zij zo. Nu ik de pen alsnog heb opgepakt, ga ik dit klusje klaren ook!

Het boek
Na twee van zijn eerdere, eigenlijk bekendste romans (De Correcties en Vrijheid) in het Nederlands gelezen te hebben (die twee boeken waren uitstekend vertaald), wilde ik dit keer Franzen eens in zijn eigen taal, het Engels, tot me nemen. Dat was in het begin wel even wennen. Normaal gaat het lezen van Engels mij goed af, maar Franzen heeft een enorme woordenschat, waardoor ik niet zelden in het duister tastte bij het zoeken naar een juiste vertaling voor bepaalde woorden. Desalniettemin hoefde ik mijn verlies niet te nemen door terug te krabbelen naar de Nederlandse vertaling. Mijn e-reader biedt immers de mogelijkheid om woorden aan te klikken en op te zoeken in een (helaas wel enigszins gebrekkig) woordenboek Engels-Nederlands. Uiteindelijk ging het wennen om dit te doen en haalde het geenszins het tempo uit het lezen. Zolang je het leuk vindt om af en toe uitgedaagd te worden door woorden die je normaal gesproken zelf niet zou gebruiken, hoeft het geenszins een belemmering bij het lezen te zijn. Overigens zeg ik dit ook altijd tegen mijn leerlingen, maar is er nog nooit een geweest die er positief (‘Inderdaad meester, vreemde woorden zijn echt jottum!’) op reageerde.

Het was even geleden dat ik De Correcties en Vrijheid las, maar toen ik eenmaal aan Kruispunt begon, wist ik meteen weer wat ik zo goed vond aan die twee eerdere romans van Franzen. Het is een combinatie van meeslepende, tot in detail uitgewerkte hoofdpersonages en het feit dat al hun tekortkomingen je tegelijkertijd als lezer irriteren én intrigeren. Bij De Correcties komt dan altijd de passage weer boven waarin de beklagenswaardige Chip, tot over zijn oren in de schulden, besluit om in een chique winkel een bijna tachtig dollar kostende zalm te stelen door – en dit is het meest hilarische – deze in zijn broek de winkel uit te smokkelen. Als ik aan Vrijheid denk, denk ik aan het personage Walter, en dan met name een van zijn vele eigenzinnigheden: als vogelliefhebber heeft hij een hekel aan katten en kattenbezitters. Om zijn afkeer te rechtvaardigheden weet hij telkens de meest nauwkeurige cijfers op te dissen waaruit blijkt dat in de Verenigde Staten jaarlijks alleen al een gigantisch aantal vogels het loodje legt door toedoen van huiskatten. In de tijd dat ik Vrijheid las werd ik vogelliefhebber en, je raadt het al, iedere keer als het nemen van een kat sindsdien in mijn huishouden maar ter sprake kwam wuifde ik dit plan weg met de Walter-kaart: ‘Zo’n vogelmoordmachine in huis nemen? Dat nooit!’ Overigens lijk ik, het web afstruinend, niet de enige die door dit element uit Franzens vierde roman geraakt werd.

Kruispunt in een notendop
Kruispunt gaat zoals gezegd verder waar Franzen in zijn eerdere romans gebleven was: angstaanjagend realistische personages die je als lezer met al hun (on-)hebbelijkheden meeslepen in hun queeste om gewoon een zo goed mogelijk mens te zijn en het leven zo goed mogelijk te ondergaan en te aanvaarden. Thematisch is alles ook heel vertrouwd. Weer is er een gezin dat centraal staat en maakt Franzen gebruik van een meervoudig perspectief om zoveel mogelijk personages aan bod te laten komen.

De moeilijkste vraag die je naar aanleiding van deze roman zou kunnen stellen is misschien wel: ‘Wat is het mooiste, best tot z’n recht komende personage?’ Ik kan namelijk niet kiezen. Neem nou alleen al de pater familias, Russ Hildebrandt. In het begin van het verhaal maak je kennis met hem, een dominee in een slaperig voorstadje van Chicago, New Prospect geheten. Hij zit middenin zijn midlife crisis en heeft een nogal cliché-crush op een jonge moeder (tevens kersverse weduwe) die onlangs heeft aangegeven zich als vrijwilliger te willen inzetten voor zijn kerk. Er moet op een zeker moment in zijn recente leven iets zijn gebeurd waarvoor hij zich vreselijk schaamt, maar als lezer heb je nog geen flauw benul wat dat precies is. Zijn schaamte en zijn midlife-kalverliefde maken hem voor de lezer meteen innemend, en Franzen doet er nog wat details bij om het charme-offensief compleet te maken. Zo is er het leidmotief van de schapenwollen jas. Russ heeft die al jaren niet meer aangehad maar besluit het kledingstuk, ingegeven door zijn verliefdheid, ineens weer aan te trekken. Franzen maakt Russ’ ingemak hierbij zo invoelbaar dat je als lezer meteen denkt: ‘Trek maar weer uit, dat ding!’

Stap voor stap wordt de lezer vervolgens Russ’ hele gezin in gesleurd, en de andere leden zijn, zoals ik hierboven al aangaf, minstens zo intrigerend en kleurrijk als hij. Oudste zoon Clem lijkt aanvankelijk de niets-aan-de-hand (want weliswaar niet populair op school, maar wel slim, sympathiek en eigenzinnig) oudste broer, maar oh, oh, wat blijkt Franzen je een eindje verderop ineens om de tuin geleid te hebben, wanneer hij beschrijft hoe het deze jongen als eerstejaars aan een naburige universiteit vergaat. Zijn iets jongere zus en soulmate Rebecca, het enige meisje in het gezin, lijkt evenals haar broer een zonnige toekomst tegemoet te gaan, maar ze verschilt op twee cruciale punten van haar broer Clem: ze is mega-populair op school, maar maakt zich wel om de haverklap zorgen over haar oppervlakkigheid (niet geheel onterecht, zo kun je als lezer wel oordelen). Dan zijn daar nog het derde kind (de briljante, eigenwijze, maar o zo verslavingsgevoelige Perry), de langzaam ontsporende moeder van het gezin (Marion) en het vierde kind, een jongen die Judson heet en over wie je het minste te weten komt, temeer daar hij als enige van het gezelschap geen stem krijgt van de schrijver.

Het gaf mij meteen te denken of binnen de autobiografische wereld van Jonathan Franzen (hij komt zelf uit een middelgroot gezin met drie kinderen) hij zelf misschien wel het meest verwant is aan dit Judson-personage. Qua tijd zou dit in elk geval aardig kloppen. Het verhaal speelt zich af eind 1971, begin 1972 en in het echte leven zal Franzen toen ongeveer dezelfde leeftijd hebben gehad als de benjamin van het gezin Hildebrandt in Kruispunt.

Het knapst aan Franzens schrijfstijl is misschien wel hoe hij met het begrip tijd omgaat en hoe hij door hiermee te spelen de spanning opvoert. Binnen de perspectiefwisselingen kom je via flash-backs van alles te weten over het recente verleden, maar tegelijkertijd werken de personages toe naar twee zinderende apotheoses. De eerste valt samen met de laatste dag voor Kerstmis 1971, de tweede met de laatste dagen voor Pasen 1972. Hoe vaak de schrijver ook uitweidt, nergens vergeet je als lezer dat op de achtergrond een zekere dreiging sluimert, en dat er een moment gaat komen dat alle spannende verhaallijntjes op een (voor de personages misschien wel verschrikkelijke) climax zullen uitlopen.

Wat mij op de uiteindelijk hamvraag van dit stuk brengt: zijn de personages en hun wederwaardigheden net zo interessant als de zalm-stelende Chip in De Correcties en de katten-hatende vogel-liefhebbende Walter in Vrijheid? Absoluut! Ik durf zelfs te zeggen dat bij ieder gezinslid (op de jonge Judson na) wel iets te ontdekken is wat je lang na het lezen van de roman nog zal bijblijven.

Één ding mag daarom niet onvermeld blijven. In tegenstelling tot zijn eerdere romans lijkt Franzen (las ik ergens in een interview) bij Kruispunt de deur open te houden naar een mogelijk vervolgdeel of zelfs mogelijke vervolgdelen. Laten we het hopen, want het einde van Kruispunt voelt, in tegenstelling tot de eindes van De Correcties en Vrijheid, allerminst als een punt achter het verhaal.

Metal uit Kenia

Het algoritme van Blendle weet inmiddels dat ik van muziek houd, dus ik krijg nogal het een en ander aan gave muziekjournalistiek aangeboden tegenwoordig. Zo vond ik in de nieuwsbrief van vandaag een interview uit het Belgische Knack Focus met een jonge held uit de Keniaanse muziek-scene. Martin Khanja speelt al jaren in metalbands uit Kenia, maar breekt nu internationaal ook een soort van door in de underground-/indiescene, waardoor ook de Belgen hem inmiddels in het vizier hebben. Zijn band (eigenlijk duo) Duma schijnt opgepikt te zijn door het legendarische Amerikaanse label Sub Pop (o.a. bekend van Nirvana). Ik bekeek en beluisterde twee nummers op Youtube en verbaasde me over de heftigheid van zowel de beelden als de muziek. Het is meer een soort elektronische noise met schreeuw/grunt eroverheen dan dat het echt op metal lijkt, maar toch, dit soort muziek verwacht je niet uit een land als Kenia.

Omdat ik toch benieuwd was naar hoe Khanja klonk en oogde toen hij nog in ‘echte’ metal bands speelde, ging ik op zoek naar oude filmpjes van zijn band Lust of a Dying Breed. Hieronder zie je die band in de gloriedagen, waarschijnlijk ergens buiten in de Keniaanse zon, inclusief headbangende Kenianen vooraan het podium. Je hoort dat het hier en daar rammelt, maar ergens moet het talent dat nu met Duma zelfs zalen in Polen uitverkoopt (Duma schijnt ‘trots’ te betekenen in het Pools) toch al wel aanwezig zijn geweest. Dit lbijf ik volgen!

Lust of a dying Breed, live, vermoedelijk ergens in Afrika/Kenia/Nairobi

Maar wat maak ík nou eigenlijk?

Een glasblazer blaast glas
Een timmerman timmert hout
Een schilder brengt ergens een laag verf op aan,
Maar wat maak ík nou eigenlijk?
Een neerlandicus neerlandicust?
Een neerlandicus kust
Een neerlandicus kust de taal
Kust iedere dag even de wereld door te proberen haar met taal
te vangen, omvatten, bevatten, begrijpen, duiden, snappen, behappen. Etc.

Dat dus.

Emmerlijst

Je vraagt me of ik een emmerlijst heb en
ik zeg je eerlijk: die heb ik niet.
De enige die zo’n lijst mag hebben is Fred,
Fred Emmer.

Heette die man trouwens zo omdat z’n voorouders water gingen halen
met twee van die dingen, om ze even vol te pompen, zeg maar, of
kwamen ze uit de stad
Emmen?

Formeren kun je leren

Ik zat het NOS-journaal te kijken vanavond, en de strekking van het item over de kabinetsformatie was eigenlijk: ‘Ze moeten zich allemaal schamen, daar in Den Haag!’ En degene die dat bericht mocht duiden heette Ron, een man met pluizige grijze plukken op zijn hoofd en een André van Duin-mondje. En ondanks die plukken en dat mondje dacht ik: ‘Zou het niet wat voor hém zijn, formateur?’

Bondscoach

Je stond aan het roer, beroerde
het echter niet
(beroerder kon het niet)
en de bemanning – op zich mans
genoeg – waande zich stuurloos bestuurd;
overmand door…wat, emoties? staarde men,
van ketelbinkie tot ervaren zeerot,
stuurs voor zich uit naar…wat, de einder?
Het einde.

En het schip verging met Man en
muis.