Taalverandering: HET internet

In weerwil van de wetmatigheid dat er bij taalverandering vooral dingen verdwijnen in plaats van dat er dingen bij komen, is bij het woord internet iets vreemds aan de hand. Vroeger (sic) hadden we het meestal over internet, niet voorafgegaan door het bepaalde lidwoord het. ‘Wat was je aan het doen, Bobby?’ ‘Ik zat op internet, mam!’ ‘Oh. Doe je voorzichtig, schatje?’ ‘Jahaaaa!’

Wanneer zijn we het ineens nodig gaan vinden om dat ene bepaalde lidwoord ervoor te plaatsen? En dan is het ook nog eens het lidwoord dat juist uit onze taal zou verdwijnen, volgens de mensen die er verstand van hebben.

Is het omdat we de Engelstalige wereld (‘How much time do we spend on the internet?’) zo graag nadoen? Of denken we dat het ouderwetse lidwoord meer recht doet aan de grootsheid van de online wereld en is het dus een kwestie van ontzag? Is het om afstand te creëren tussen onszelf en de digitale wereld dat we die wereld als mannelijk, noch vrouwelijk aanspreken, maar juist onzijdig?

Stuur je antwoord op een briefkaart naar KRO’s Taalkwesties, postbus 1234 AB in Hilversum en win een analoge sleutelhanger.

‘Oh, by the way, which one’s Pink?’

Ik zal al pielend met een nieuw reverb-pedaal wel een beetje David Gilmour-achtig hebben geklonken, onlangs in de oefenruimte. Onze drummer begon namelijk na een lange jam ineens over een Pink Floyd-nummer dat ik eigenlijk nog niet echt kende. Het ging om Have a Cigar: een cynische, ruim vijf minuten durende tirade tegen het archetype van de gierige platenbons, verpakt in licht psychedelische bluesrock met een synthesizer-sausje.

Het lied staat op het album Wish you were here uit 1975 en was daarop eigenlijk een buitenbeentje. Bijna de hele rest van de plaat was één lange ode aan gevallen held en oer-bandlid Syd Barrett, maar in Have a cigar gaat het overduidelijk alleen over de periode tussen pak hem beet het eclatante succes van doorbraakplaat Dark Side of the Moon en het plannen van het album dat later Wish you were here zou worden.

Luisterend naar de tekst waan je je in een protserig platenbazenkantoor anno 1974 en hoor je een man in een iets te duur pak aan een paar beteuterde – door het plotselinge succes overvallen – voormalige artistieke alto’s uit de 60’s een sigaar aanbieden die staat voor een duivelse deal waaraan de man in het pak uiteraard onevenredig veel geld gaat verdienen; geld dat eigenlijk voornamelijk in de zakken van de voormalige alto’s zou moeten verdwijnen.

Maar wat blijft er over van dit bijtende cynisme als de mannen in kwestie (inmiddels zijn er nog maar drie over trouwens; toetsenist Richard Wright overleed in 2008) driedubbel dik miljonair zijn geworden met alle legendarische muziek die ze gemaakt hebben? Deze kritische retorische vraag komt niet van mijzelf, maar van drie mensen op het fantastische songtekst-platform Lyrics Genius.

In een bijdrage van de users Gremal, Avi, en Zille (een gedicht op zich) lees je:

It’s worth noting that, as much as the lyrics spoof and criticize the record executive, they don’t cast Pink Floyd in the greatest light, either. Here is a band that indeed did try to make it and succeeded. Their fans loved them. They became millionaires. And much of this was made possible by the record industry that Floyd now berates. There is an element of biting the hand that fed them and worse, of whining and self-pity from a group of millionaires who play music and explore self expression for a living. If record execs were as superficial as Floyd suggests, they would not allow themselves to be spoofed in this manner.

Maar wat bij alle fans en top 2000-kenners het meeste blijft hangen uit dit lied is toch wel de vraag die –  in de songtekst gesteld door de verwende platenbaas – symbool staat voor de desinteresse van de vrije markt-graaiers voor de wereld van de schone kunsten. De man in het te dure pak vraagt aan de inmiddels wereldberoemde band (band! niet: singer-songwriter!): ‘Oh, by the way, which one’s Pink?’ U en ik weten: er was niemand in de band Pink Floyd die daadwerkelijk die naam droeg, hoewel het wel degelijk een samensmelting was van twee obscure blueszangers, Pink Anderson en Floyd Counsil. Wie op het geniale idee kwam om die twee namen achter elkaar te zetten? Oer-gitarist Syd Barrett. Maar dat is een verhaal voor een andere keer.

 

Michael Gratovich, gitarist

Zit ik ter voorbereiding/bij wijze van voorpret (straks tijdens- en napret) op een reis naar Polen Boreslav Prus’ beroemde roman De pop te lezen, wordt er op bladzijde 14 door de verteller bekendgemaakt dat er bij een personage een gitaarkoffer onder zijn bed ligt. De roman speelt zich af rond 1880, en ineens besef ik dat ik geen idee heb hoe gitaren er in die tijd uitzagen of hoe ze klonken.

In mijn hoofd begon de geschiedenis van de gitaar ergens bij de jazz, blues en later rock ’n roll in de Verenigde Staten van de 20e eeuw. Dat er in het Warschau van de late 19e eeuw ook mensen gitaar speelden, is niet iets waar ik me dagelijks mee bezighoud. Tot nu.

Ik besluit toch maar eens wat onderzoek te doen en stuit op het volgende filmpje van de gitarist Michael Gratovich, die volgens de begeleidende tekst op een Franse gitaar uit 1810 (!!!) speelt. Prachtige, oorstrelende muziek, die wat mij betreft veel meer dan de 9968 views verdient die ze tot nu gekregen heeft. Oordeel zelf. Die gitaar mag er trouwens ook zijn.

Over de uitspraak van het woord ‘vanille’

Van de uitspraak van het woord ‘vanille’ kan ik ’s nachts wakker liggen. Niet écht natuurlijk, maar het leek me wel een pakkende beginzin.

Ik heb eigenlijk altijd ‘vaa-nie-juh’ gezegd en voor mijn gevoel is dat ook de correcte uitspraak. Toch hoor ik hier thuis meestal ‘va-niel-juh’ en dat vind ik dan weer een stuk minder klinken. Het klinkt een beetje als ‘ik verniel je’ en dat is gewoon niet iets wat je zegt als je iemand de liefde wilt verklaren of iets dergelijks. Ook als je een muntje voor de campingdouche nodig hebt, klinkt de vernielvariant eerder als een uiting van agressie dan van genegenheid of naastenliefde.

Dat gezegd hebbende, misschien kan hier nog verandering in gebracht worden door een of andere liedjesschrijver of taalvirtuoos. Ik kan me zomaar voorstellen dat een carnavalskraker ‘Ik wou een ijsje met vanielje (maar ik duwde, en toen viel je)’ tot de mogelijkheden behoort.