Freddies Tritonkaketoe

tritonkaketoe

Goh, ja, en dan lees je ineens dit bericht en laat je je de kans niet ontnemen om twee favo blog-onderwerpen in één bericht te kunnen verwerken: geschiedenis en vogels. Nou, gooi ‘m er maar in!

Die vroege middeleeuwen, ze blijven maar actueel. Had ik het een tijd geleden over dit boek, iets later over deze ontdekking en vanochtend nog over dit boek, vandaag stuitte ik ineens op de tritonkaketoe van keizer Frederik II.

Lang verhaal kort: witte exotische papegaai-achtige blijkt 600 jaar eerder in West-Europa te zijn geïmporteerd dan aanvankelijk gedacht. Frederik II, die van 1220 tot 1250 keizer van het Heilige Roomse Rijk was, vogelde nogal fanatiek en schreef een dik boek Over de kunst van het jagen met vogels (De arte venandi cum avibus). Op zijn beurt maakte een Nederlandse hoogleraar pijnbestrijding daar dan onlangs weer een boek over, waar de krant een half jaar geleden al aandacht aan besteedde.

De bron waar deze Ben Crul uit putte heeft dus nu ook de kennis opgeleverd dat bovenstaande gevederde witte vriend hier al begin 13e eeuw rondvloog. Het grappigste aan het verhaal is misschien nog wel dat uit de vier plaatjes die ooit werden neergekrabbeld en ingekleurd (door Frederik zelf?) klaarblijkelijk op te maken valt dat het uit Azië overgekomen (geschonken door een sultan) dier er gaaf uitzag, wat er dan weer op wees dat hij goed in zijn vel zat en het prima naar zijn zin had. Of zoiets. Dat kan vast niet van iedere hedendaagse tritonkaketoe in een willekeurige zoo gezegd worden.

Jan van Aken – De ommegang

De ommegang

Wat als je jezelf zou kunnen aanleren om álles, maar dan ook werkelijk álles wat je leest te onthouden? Een interessante, hoewel misschien niet meer zo urgente vraag. Tegenwoordig heeft immers vrijwel iedereen een klein apparaatje in zijn broekzak, waarin alle kennis ooit vergaard 24 uur per dag beschikbaar is. Wie heeft er met een van wifi-netwerken vergeven aardbol nog zoiets ouderwets als een geheugen nodig?

De hoofdpersoon van De ommegang, de zevende roman van Jan van Aken, lukt het daadwerkelijk om iedere tijdens zijn leven gelezen zin woordelijk te onthouden. Als kennis macht is, zou je denken, moet deze Isidoor welhaast een van de machtigste personen van zijn tijd zijn.  Zijn tijd, dat is de late 14e en de vroege 15e eeuw, waarin het nog een ruime zeshonderd jaar wachten was op de eerste smartphone. Meer dan 600 pagina’s lang mag de lezer zich verbazen over wat Isidoor allemaal kan met zijn gave, maar vooral ook over wat hij er uiteindelijk niet mee doet.

Dat laatste is uiteindelijk een zegen voor de lezer. Van Aken vond het gelukkig niet zo interessant om van zijn hoofdpersoon een platte hedonist te maken die zijn kennis louter inzet voor vluchtige geneugten. Waarmee niet gezegd is dat hij zich daarin niet onderdompelt. Integendeel, net als iedere Middeleeuwer drinkt hij zich bij tijd en wijle ongans aan bier en wijn en ook van de vleselijke lusten onthoudt hij zich niet, in de meeste gevallen met dank aan een keur aan dames van lichte zeden.

Die drank en die vrouwen weerhouden hem er niet van om de halve wereld rond te zwerven, iets wat wel meer hoofdpersonen in Van Aken-romans gedaan hebben. Isidoor begint als vondeling in Noord-Engeland om vervolgens via Parijs, Bologna, Turkije en Oezbekistan zelfs helemaal in China te belanden, het land waar ‘Polo’ ooit ook heen reisde. Na al die omzwervingen komt hij uiteindelijk terecht in het Zuid-Duitse Konstanz, precies in de periode dat daar het beroemde concilie plaatsvond.

Als je dat laatste leest denk je misschien dat deze roman bolstaat van de historische feiten over de genoemde periode, maar dat is gelukkig niet zo. Bij Van Aken dienen zijn de feiten altijd ondergeschikt aan het verhaal en dat is maar goed ook, want verhalen vertellend is hij op zijn best. Er zijn trouwens wel recensenten die dat irritant vinden, het af en toe strooien met historische feitjes, maar het ondertussen niet zo nauw nemen met hoe het écht zat. Ik zat er niet zo mee. Natuurlijk weet ik ook wel dat er in 1400 nog niet zoiets als Italië bestond en dat mensen het nog niet over Italianen hadden, maar als de hoofdpersoon in het cosmopolitische Konstanz een stamkroeg heeft met een Fransman, een Duitser en een Italiaan is het natuurlijk ook gewoon geestig om je voor te stellen dat stereotypen van alle tijden zijn (de Italianen zijn bijvoorbeeld modieus en houden van lekker eten).

Het op dit blog eerder beschreven Nobel streven van Frits van Oostrom ging over een Hollandse ridder die in ongeveer dezelfde tijd leefde als Isidoor uit De ommegang. Sterker nog, er is in Van Oostroms boek zelfs een behoorlijk grote rol weggelegd voor een man die aan het eind van Van Akens roman ook nog even opduikt als antagonist van de hoofdfiguur. Het gaat om de beroemde Parijse theoloog en academicus Jean de Gerson. Zelf had ik er geen enkele moeite mee om een figuur die ik historisch feitelijk en waarheidsgetrouw had leren kennen bij Van Oostrom over te plaatsen naar de goeddeels uit de goeddeels uit Van Akens fantasie ontsproten wereld.

Als laatste wil ik nog de rol noemen die architectuur in het boek speelt. Isidoor kiest er dan aanvankelijk wel voor om dokter te worden, maar dit doet hij alleen omdat hij denkt alleen daarmee zijn droom kan verwezenlijken om als architect grote kathedralen te bouwen. Er zitten heerlijke passages in dit boek waarin middeleeuwse bouwwerken een grote rol spelen. Van Aken laat zijn Isidoor met dezelfde verwonderde blik naar een kathedraal kijken als die wij zelf vandaag de dag nog hebben: hoe krégen ze het allemaal voor elkaar?

Isidoor kan het zelf ook amper bevatten, maar als hij voor het eerst met eigen ogen de kathedraal van Salisbury mag aanschouwen en zich zelfs even bemoeit met bouwwerkzaamheden aan de hoge toren kun je niet anders dan gniffelen om de scherpzinnigheid en betweterigheid waarmee hij dit doet. Van Akens hoofdfiguur ziet meteen dat de constructie van genoemde toren niet deugt en weet zeker dat die anders en beter had gekund. Ik kon niet anders dan even googelen op kathedraal van Salisbury om in elk geval plaatjes te bekijken en kwam er toen achter dat de stevigheid van genoemde toren inderdaad lange tijd problematisch is geweest. Het middeleeuwse bouwproces is niet dusdanig uitvoerig gedocumenteerd dat we precies weten hoe het allemaal in zijn werk ging, maar van Aken heeft in de genoemde scene in Salisbury precies wat interessante elementen verwerkt zodat je voelt dat je er toch echt even bij bent. Een tipje van de sluier: om zware blokken steen te kunnen hijsen lieten ze zeshonderd jaar geleden mannen in grote raderen rennen.

Als hij later in het boek in Samarkand (Oezbekistan) belandt is hij niet alleen getuige van een machtig bouwwerk – een moskee – maar mag hij deze voor de beroemde wrede heerser Timoer Lenk zelfs voltooien. Ook deze Bibi Khanun-moskee heb ik opgezocht en verdomd als het niet waar is, ook deze moskee heeft te kampen gehad met bouwfouten en imperfecties. Het is dan ook nogal een complex proces in de architectuur, het bouwen van een perfecte koepelconstructie.

Conclusie van het verhaal: de boeken van Van Aken zijn een klein beetje leerzaam, maar vooral heel leuk. (Een beetje een laffe zin zin om deze boekbespreking af te sluiten, maar ik kan nog wel alinea’s lang doorgaan over dit boek, merk ik, en het moet ook een keer klaar zijn.)

Aanvulling: ik ontdekte zojuist nog dit prachtige stuk, geschreven door Jeroen Vullings en gepubliceerd in Vrij Nederland.

 

 

 

Het Spokenboek

spokenboek

Zie hier het lievelingsboek van mijn zoon (bijna 3). Al vanaf het moment dat hij in de bieb – hij kon amper praten – ‘spokenboek!’ uitriep en het dolblij mee naar huis nam is het aan, tussen het spokenboek en mijn zoon. ‘ Zoals het een goed prentenboek betaamd gaat het hier om de tekeningen en blijft de tekst tot een minimum beperkt. Op de eerste bladzijden staat nog ‘Midden in de nacht in mijn tuin’, op de hiernavolgende pagina’s ‘zag ik….’ en dan heb je het qua tekst wel gehad. Meer hoef je ook eigenlijk niet te weten, want het gaat om de verbeelding. Die moet de rest van het verhaal zelf in elkaar gaan zetten. En dat lukt dus zelfs bij kinderen van 1+ al. Ontelbare keren heeft mijn zoon ‘Spokenboek lezen!’ gezegd, sinds die liefde op het eerste gezicht in de bibliotheek.

Een goed prentenboek laat je iedere keer weer nieuwe dingen ontdekken en dat is bij het spokenboek niet anders. Zonder al te veel te verklappen: de spookjes hebben hier eigenlijk de functie die kaboutertjes vroeger hadden. Omdat ze zo klein zijn kun je als kind prima geloven dat ze, ondanks dat je ze nooit ziet, toch écht bestaan en net als kabouters zijn ze in de regel niet eng of gemeen, maar eerder schattig en lief. Behalve hun geringe postuur is er natuurlijk nog een verklaring voor het feit dat je ze nooit ziet: ze zijn alleen ’s nachts actief. Ik vind dat overigens een zeer realistische verklaring. Ik loop in het bos al jaren langs een dassenburcht, soms zichtbaar recentelijk aan alle kanten omgewoeld, maar een echte das heb ik in al die tijd nog nooit met eigen ogen waargenomen. Tot mijn grote spijt, overigens. Daarover in een ander stukje op dit blog hopelijk nog eens meer.

Wat ik zelf geniaal vind aan de in dit boek figurerende spookjes: het zijn eigenlijk net mensen. Ze zijn continu bezig met werken, in dit geval bouwen, terwijl ze eigenlijk niet precies weten waarom, hoe en wat, waarvoor, hoe lang etc. Weten wij ook eigenlijk allemaal niet, hoewel gelovigen ongetwijfeld anders zullen beweren. De spookjes zijn net een soort beschaving: eerst is er niks, dan zijn er wezens die van alles en nog wat doen en de wereld (‘mijn tuin’ uit de titel) radicaal veranderen en daarna wordt dit allemaal langzaam weer stelselmatig afgebroken. Niet dat de spookjes daarmee zitten; ze lijken er eerder in te berusten dat alles tegen het ochtendgloren weer zorgvuldig weggehaald moet zijn. Het is natuurlijk ook logisch dat ze dit doen. Als je je status als mythisch wezen wilt behouden kun je er maar beter voor zorgen dat de mensheid je bestaan zoveel mogelijk in twijfel trekt.

Wat ook opvalt aan prentenboeken voor kinderen: de tekenaars van deze boeken zoeken allemaal naar een eigen, unieke stijl en sommigen slagen daar zo wonderwel in dat je hun werk ook prima los van de kindercontext in een museum (in dit geval voor moderne kunst) zou kunnen exposeren. Als je googelt op Séverin Millet, de Franse geestelijke vader van het spokenboek, zie je meteen wat ik bedoel: deze man heeft veel meer in zijn mars dan alleen prentenboeken voor kinderen voortbrengen. Iemand anders die dat trouwens ook kan is de Finse Aino Maija Metsola.

Lang verhaal kort: zijn kinderprentenboeken alleen leuk voor kinderen? Absoluut niet!

NB Inmiddels hebben we net boek uiteraard aangeschaft, zodat we het niet meer uit de bieb hoeven te halen.

Leidse twijfel-lijken

In Leiden hebben studenten archeologie twee skeletten uit de zevende eeuw ontdekt. Dit zegt de meeste mensen denk ik niet zoveel, want: wat moet je er mee, een stapel oude botten? Nou: heel veel!

De zevende eeuw, dat was die vage tijd tussen de Romeinen en de Middeleeuwen in. Wat gebeurde er toen? Die Romeinen waren allang zo briljant, overheersend en belangrijk niet meer – want in verval – en die Middeleeuwen die het gingen overnemen moesten nog goed en wel op gang komen. Een enkeling kon misschien schrijven, maar dan wel in dat Latijn van die Romeinen, want ja, volkstalen, wat zijn dat nou weer en hoezo zou je daar ook in kunnen schrijven? En hoezo schrijven? De meesten van ons kunnen niet eens lezen, op een enkele slimme monnik na dan.

Die vroege Middeleeuwen waren eigenlijk een soort twijfel-eeuwen en de mensen die toen leefden waren bij voorbaat al twijfelaars. Zijn we Romeins? Zijn we Middeleeuws? Wat zijn we nou eigenlijk? Ze wilden daar in Leiden eigenlijk resten uit de tiende eeuw vinden waarvoor ze eerder al aanwijzingen hadden gevonden, maar in plaats daarvan konden er zomaar nog drie eeuwtjes af.

Extra bijzonder: de lichamen – van twee jongemannen – lagen begraven met nogal wat voorwerpen die op hun beurt ook weer goed geconserveerd zijn gebleven. Een van de mannen droeg een zwaard aan zijn riem.Dat moet dan ook een soort twijfel-zwaard zijn geweest. Misschien leek het ergens nog een beetje op de steekwapens zoals de Romeinen die maakten, maar het zal toch ongetwijfeld minder elegant, blinkend, deftig, artistiek, scherp, dodelijk etc. zijn geweest dan de zwaarden die ze later, pak ‘m beet in de periode 1000-1500 hebben gemaakt.

Van mijn vader moest ik absoluut de roman De valse dageraad van Jan van Aken lezen, want het ging over de vroege middeleeuwen (circa het jaar 1000) en daar weten we maar zo weinig vanaf. Dat boek is inderdaad briljant en zijn nieuwe roman, De ommegang, zo mogelijk nog briljanter, maar eigenlijk moet ik dus een Jan van Aken (want geen enkele schrijver kan wat hij kan) zien te vinden die over de 7e eeuw gaat. Zijn debuutroman kom dan nog het dichtst in de buurt, want Het oog van de basilisk zou zich afspelen rond het jaar 500 na Christus, en dan zit je nog maar honderd jaar af van die zevende eeuw waaruit die Leidse lijken stammen.

En die lijken: daar ging het me nou juist om. In een plaatselijke reportage wordt gemeld dat tegenwoordig uit oude botten zoveel meer (met dank aan DNA) informatie kan worden gehaald dan laten we zeggen een jaar of tien, twintig geleden. De archeologen verwachten dat uit dergelijk onderzoek naar de Leidse botten ook zeker interessante feiten naar voren zullen komen. Allemaal goed en wel, maar ik kan eigenlijk niet wachten en wil liever vandaag dan morgen die uitkomsten van al die tests weten. En ik wil ook niet wachten tot de vondsten ooit een keer in een museum worden geëxposeerd, ik wil dat ze nu een ronde door heel Nederlands maken op een soort open kar, zoals een nationaal voetbalteam dat eerste wordt op een mondiaal toernooi. Of tweede, voor mijn part. Ok, genoeg voor vandaag.

7e-eeuws-graf-Leiden-foto-Archol

WK Schmeeka

En dan sta je ineens in de plaatselijke Kruidvat voor een rek met aanbiedingen en word je zomaar ineens verleid om een VI (Voetbal International) te kopen. Als je het ding voordelig wilt hebben moet je wel twee bussen deodorant of twee flessen douchegel erbij kopen, maar ja, dat heb je daar toch gewoon voor over?

Ik wilde eigenlijk dit jaar niet zoveel van het WK weten, want: het leven. Een gezin, drukke baan, een fantastisch boek in de E-Reader, wie denkt er dan nog aan weet ik hoeveel keer 90 minuten (al die verlengingen + strafschoppenreeksen die er na de groepsfase nog aan zitten te komen reken ik voor het gemak maar even niet mee) op de bank voor de buis zitten? Ja, ik dus toch ook, tot voor kort althans.

Het EK van 2016 heb ik toch best intens beleefd. Ok, we waren er niet bij, maar dat mocht de pret toch niet drukken? Zonder oranje-gedoe is voetbal toch ook gewoon hetzelfde spelletje? Soms enerverend, soms saai, maar altijd 11 tegen 11 op een veld met een bal en hij moet zo nu en dan in het net belanden. Ik vond dat toernooi heel leuk en herinner me bijvoorbeeld de wedstrijden van IJsland nog goed, vooral het moment dat ze het in een of ander ver stadium ineens tegen organiserend land Frankrijk moesten opnemen en je nog bijna dacht ‘tja, waarom niet? wat als….’ etc. Dat ging uiteindelijk allemaal niet door, maar o, o, o, wat was het genieten, al die Vikingen die naar dat compleet blauw-gekleurde ‘uitvak’ liepen en de handen mooier, opzwepender en ritmischer op elkaar kregen dan Freddy bij We Will Rock You.

Heb ik die VI nou gekocht in de Kruidvat? Ja en dat levert dan nog best veel gezeur op omdat ik dus geen deo of douchegel nodig had en dan kijkt zo’n kassameisje je een beetje wereldvreemd aan, zo van ‘ja maar, ik weet niet eens wat dit ding kost als je hem niet met de volledige aanbieding koopt, want IEDEREEN maakt altijd gebruik van die aanbieding, dus dit heb ik nog NOOIT meegemaakt, bent u wel helemaal goed bij uw hoofd!!??? Ik had nog geen wedstrijdminuut gezien en ik vond het internet een saaie plek om wedstrijdschema’s bij te houden. Ik wil geen WK-app op mijn telefoon die me van minuut tot minuut vertelt hoeveel het staat bij Zambia-Laos en welke speler er geel heeft gekregen in welke minuut. Ik wil gewoon een ouderwets papiertje waar die dingen op staan en toevallig staat zo’n papiertje in de speciale WK-editie van de VI.

Anyway, inmiddels hangt dat papiertje op ons prikbord in de keuken en weet ik nu dus wel welke wedstrijden er op welk moment zijn, maar heb ik nog steeds amper iets van dit WK meegekregen. Belgie, de eerste wedstrijd van de Rode Duivels, die gingen we wel kijken. Met het friet en hamburgermenu dat eigenlijk voor vaderdag bestemd was en de tv onethisch naar de eettafel toegedraaid zodat zoonlief er geen smeerboel van maakt op de bank. Na de eerste helft moest hij naar bed, dus van de tweede helft heb ik niks meegekregen. Toch jammer dat daarin alledrie de doelpunten vielen.

Ik zocht nog naar een plaatje voor dit stukje en dat werd onderstaande ‘classic’ afbeelding. 1987 was het jaar dat ik mijn eerste Panini-album kreeg en nog steeds krijg ik een soort nostalgisch kippenvel als ik het zie. Het Panini-album van dit WK zag ik vandaag bij de speelgoedwinkel op de toonbank, maar ik heb me ingehouden. Ik had immers al de speciale WK-VI.

Oei, volgens mij begint zo een wedstrijd! Ik ga stoppen. Als het een leuk toernooi is tot ergens na 15 juli ca. 20:00 uur. Anders wellicht al tot veeeeel eerder. (morgen?)

Een fijne avond, met of zonder voetbal.

Panini 87

Malibu

Gisteren gehoord op radio 1: de band Malibu met het nummer ‘Koning van het schoolplein.’

Als je niet zo van Spotify bent kun je hier nog een live-clip op youtube bekijken van hetzelfde nummer:

‘Ga eens in de supermarkt op je rug liggen.’

Ik jat gewoon even de kop van dit artikel uit de krant van vandaag. Het artikel zelf heb ik uiteraard weer niet gelezen, want het stond helemaal achter in de krant en ik had nu juist zin om iets te typen en dan kan je niet in dezelfde tijd ook nog het hele stuk gaan lezen.

Nou ja, ik pikte wel iets op, namelijk dat het een niet onknappe jonge filosoof is die dit tegen de dienstdoende interviewer van de krant heeft gezegd. Nou goed dan, filosoofje, ik vind het een mooi advies dat je ons hier geeft, maar is het haalbaar? Ik wil best in de supermarkt op mijn rug gaan liggen, maar ja, wetten en praktische bezwaren enzo. En daarbij, het eerste wat je dan denkt is toch: ik kom over als een idioot. Dus je kunt jezelf er pas echt toe zetten op je rug te gaan liggen in de supermarkt als je besloten hebt dat je dat écht wilt, overkomen als een idioot. En zover ben ik (nog) niet.

Misschien praat ik wel weer voor mijn beurt en wordt het – als ik het stuk daadwerkelijk heb gelezen – op wonderbaarlijke wijze ook wel echt duidelijk hoe en wat met het op je rug liggen in de supermarkt, maar dat wil ik in dit stadium zoals gezegd niet weten.

Mijn immer associërende brein komt dankzij het lig-advies wel op twee prachtige videoclips uit de ’90’s uit, waarvan ik er een (onderstaande) u niet wil onthouden.

 

Welke die andere clip was? De video bij Everybody Hurts van REM, maar die was volgens mij niet toepasselijk, omdat hij wel gaat over iemand die iets raars doet en daar vervolgens iedereen mee aansteekt, maar dat rare is in dat geval niet ‘op de grond liggen’. Als ik het mis heb moet je het maar even laten weten.