Wat te doen met de eeuwigheid?

‘Gebruik je de eeuwigheid híervoor?’, vraagt Andy MacDowell aan Bill Murray, ergens op driekwart van de film Groundhog Day. Weerman Phill Connors, het personage van Murray, heeft zojuist aan zijn grote, maar onbereikbare liefde opgebiecht dat hij al tijden iedere dag weer dezelfde dag beleeft in hetzelfde suffe provinciestadje.

Eindeloos probeert hij Rita (MacDowell) iedere dag weer te versieren, maar tevergeefs. Iedere keer als hij denkt dat hij haar bijna veroverd heeft, wordt hij de volgende dag wakker en blijkt zij totaal onwetend te zijn van al zijn voorgaande versierkunsten.

Als Murray eindelijk heeft uitgelegd in wat voor bizarre situatie hij beland is – íedere dag wakker worden in hetzelfde onbetekenende rotstadje en íedere dag beseffen dat het exact dezelfde dag is als de voorgaande –  lukt het hem zowaar om MacDowell bij zich op bed te krijgen (het blijft nog wel platonisch allemaal). Hij laat aan haar zien hoe goed hij is in het van een afstandje speelkaarten gooien in een hoed en probeert het ook aan haar te leren. ‘You’ve got to BE the hat. BE the hat!’ Waarop zij aan hem de retorische vraag stelt: ‘Is this what you do with eternity?’ ‘Gebruik je de eeuwigheid híervoor??’

Ik heb de afgelopen week weer af en toe aan deze film moeten denken, die ik vanaf het moment dat hij uitkwam, tijdens mijn tienerjaren, eindeloos vaak gezien heb. Nooit eerder kwam het Groundhog Day-gevoel – het gevoel vast te zitten in een soort eindeloze tijdlus – dichterbij dan nu. Ik stel mezelf dan ook meerdere malen per dag de vraag: wat gaan we doen met de eeuwigheid?

Phil Connors doorloopt in Groundhog Day dezelfde stadia die zoveel mensenlevens kenmerken: via hedonistische uitspattingen en somberte (zelfmoord-acties die niet werken, omdat hij de volgende dag gewoon weer levend wakker wordt) komt hij uiteindelijk tot het geweldige inzicht dat je maar beter het beste kunt maken van het leven. Hij gaat andere mensen helpen en ontplooit zich onder andere door piano te leren spelen en ijssculpturen te leren maken. En o ja, hij wordt een kei in van een afstandje speelkaarten mikken in een hoed.  Zijn die dingen zinvol? Dat niet. Maar het leven wordt er wel leuker, bevredigender en makkelijker door. En dat is ook wat waard.

Ik hoop dat iedereen die een beetje Corona-depri wordt Groundhog Day gaat kijken. Phill Connors leert ons: we moeten er het beste van maken.

Groundhog Day

Kolfje

Ik kreeg vanochtend een mail van het Genootschap Onze Taal. Of ik mee wil doen aan het bedenken van woorden die anno 2020 écht niet meer kunnen. ‘Schurende taal’, noemen ze dat.

Een kolfje naar mijn hand!, dacht ik meteen.

Dat gezegd hebbende, het woord ‘kolfje’ vind ik écht niet meer kunnen.  ‘Kolfje’ is een soort wolf in schaapskleren op woordniveau: het klinkt wel lief, als een kalfje dat nog niet helemaal weet hoe het rechtop moet staan en aller-aandoenlijkst blijft omvallen, maar het is natuurlijk gewoon walgelijk. Bah.

Overigens heb ik niks tegen het kunstmatig aftappen van moedermelk.

Mensheidje, mensheidje toch!

Ik ben nu geloof ik al een jaar of vijftien fan van de kunstenaar-satiricus Gummbah. Ik vond ooit bij een ex-vriendin een van zijn cartoon-boekjes, nam het mee naar de wc en kwam er na vele onbedaarlijke schaterlachbuien pas weer vanaf. Inmiddels bezit ik zelf enkele van zijn boeken en boekjes, waarvan het geniale Net niet verschenen boeken denk ik mijn favoriet is.

Mijn wederhelft is iets minder fan, maar haar gevoel voor humor is ver genoeg ontwikkeld om gezamenlijk van de briljante cartoons te kunnen genieten. Het Gummbah-idioom zit inmiddels zo in onze systemen verankerd dat we soms – bij de aanblik van alles wat lelijk is in het leven (mensen, dieren, meubels, dingen, gebouwen, situaties, taferelen) – elkaar maar hoeven aan te kijken om vast stellen: ‘Inderdaad: Gummbah.’

Bij het lezen van de krant moest ik vanochtend even aan een van zijn cartoons denken. Iemand zit op een stoel in zijn woonkamer het boek Mein Kampf te lezen en zegt: ‘Adolfje, Adolfje toch.’ Bij een artikel over het afkalven van gigantische gletsjers op Antarctica (daar is ie dan eindelijk weer eens, de naam van mijn blog) en het supersnel stijgen van de zeespiegel, dacht ik aan een mogelijke Gummbah-cartoon. Een man met een baard (lees: God) zit op een stoel in de hemel en kijkt naar de aarde. Hij schudt bedenkelijk het hoofd en zegt: ‘Mensheidje, mensheidje toch!’

Malibu – Carnaval

Dames en heren, met gepaste trots presenteer ik u de nieuwe single van de onvolprezen Nederlandstalige cultband Malibu. Het plaatje, met de toepasselijke titel Carnaval, had niet op een beter moment kunnen komen. Niet alleen is Nederlandstalige muziek hotter dan hot (zie tekstje hieronder; bron: Onze Taal), ook schijnt het binnenkort carnaval te zijn.

Op dit nummer laat de band zich van zijn meest veelzijdige kant horen, want het gaat van lijzige, lome, grungy rock via atmosferische ambient naar onversneden old-school psychedelica. Zaterdagavond 22 februari wordt het plaatje feestelijk gepresenteerd in Goirle. Ongetwijfeld in het bijzijn van bier. Nu alvast veel luisterplezier met dit Nederpop-pareltje.

Afbeelding van Berend Jan Ike

Taaltrend: ‘Ik mag….van mezelf.’

Ik heb ooit geleerd dat wetenschappelijk is vastgesteld dat de meeste taaltrends en taalveranderingen bij vrouwen beginnen. Vermoedelijk geldt dat ook voor de taaltrend die ik in dit stukje centraal stel: ‘Ik mag….van mezelf’, ook wel gebruikt als ‘Ik mag van mezelf…’ Wat is er aan de hand?

Tot voor een paar jaar geleden hoorde je in spreektaal en las je in schrijftaal wel eens de ontkennende variant van de genoemde uitdrukking. Die vind je online dan ook nog het vaakst terug, bijvoorbeeld in zinnen als ‘Ik mag van mezelf geen fouten maken’ of ‘Ik mag van mezelf niet twijfelen.’

De afgelopen jaren lijkt er echter iets te kantelen aan deze uitdrukking. Het gaat nu niet alleen meer over wat je niet mag van jezelf, maar steeds vaker over wat je wel mag. Dit filmpje – waarin Aaf Brandt Corstius aan tijdschrift Margriet uitlegt hoe ze haar dagen als schrijver doorkomt – deed mij beseffen dat ‘ik-mag-van-mezelf…’ nu echt gemeengoed is geworden. Op 00:46 zegt ze: ‘…dus ik mag drie koffie per dag van mezelf.’

Zoals zoveel taaltrends lijkt ook deze begonnen bij spreektaal, maar wint hij langzaamaan ook terrein in geschreven taal. Bij de zoektocht op internet lijken de voorbeelden die overeenkomen met mijn bevindingen allemaal van recente datum. Een greep:

Allemaal vrouwen! O nee, wacht, toch een man gevonden:

O, toch weer een vrouw:

Ok, genoeg zo, denk ik. Nog een laatste kanttekening. Is hier nou echt sprake van een positiviteitsboost die vanuit de samenleving (De meeste mensen deugen) in de taal doorsijpelt? Ik twijfel. Natuurlijk is het fijn dat we (vooral vrouwen) ineens van alles van onszelf mogen, maar stiekem impliceert dit natuurlijk vooral wat we niet mogen van onszelf. Ga maar na: als Aaf meldt dat ze drie koppen koffie per dag mag, betekent dat dus vooral ook dat dat er ab-so-luut niet vier, of zelfs maar vijf of zes mogen zijn. Net als overigens de leeftijd-in-koekjes, chocola en 1-aflevering-per-dag in de bovenstaande voorbeelden. Positieve uitzondering daarop is natuurlijk ‘het weer op social media mogen, nu het album er eindelijk is’. Maar die quote is dan weer afkomstig van? Juist, een man.

 

 

De weg van de eenzaamheid

De weg van de eenzaamheid is
lang en…
eenzaam.

Was dit het begin van een gedicht,
het zou in de prullenbak
verdwijnen,
maar in een popsong zou het niet misstaan.

Popmuziek en poëzie.
Soms komen ze nader, strelen en kussen ze elkaar, en soms
worden ze zelfs één. Bij Dylan bijvoorbeeld.
(volgens Dylan-liefhebbers dan, hè)