Kolfje

Ik kreeg vanochtend een mail van het Genootschap Onze Taal. Of ik mee wil doen aan het bedenken van woorden die anno 2020 écht niet meer kunnen. ‘Schurende taal’, noemen ze dat.

Een kolfje naar mijn hand!, dacht ik meteen.

Dat gezegd hebbende, het woord ‘kolfje’ vind ik écht niet meer kunnen.  ‘Kolfje’ is een soort wolf in schaapskleren op woordniveau: het klinkt wel lief, als een kalfje dat nog niet helemaal weet hoe het rechtop moet staan en aller-aandoenlijkst blijft omvallen, maar het is natuurlijk gewoon walgelijk. Bah.

Overigens heb ik niks tegen het kunstmatig aftappen van moedermelk.

Mensheidje, mensheidje toch!

Ik ben nu geloof ik al een jaar of vijftien fan van de kunstenaar-satiricus Gummbah. Ik vond ooit bij een ex-vriendin een van zijn cartoon-boekjes, nam het mee naar de wc en kwam er na vele onbedaarlijke schaterlachbuien pas weer vanaf. Inmiddels bezit ik zelf enkele van zijn boeken en boekjes, waarvan het geniale Net niet verschenen boeken denk ik mijn favoriet is.

Mijn wederhelft is iets minder fan, maar haar gevoel voor humor is ver genoeg ontwikkeld om gezamenlijk van de briljante cartoons te kunnen genieten. Het Gummbah-idioom zit inmiddels zo in onze systemen verankerd dat we soms – bij de aanblik van alles wat lelijk is in het leven (mensen, dieren, meubels, dingen, gebouwen, situaties, taferelen) – elkaar maar hoeven aan te kijken om vast stellen: ‘Inderdaad: Gummbah.’

Bij het lezen van de krant moest ik vanochtend even aan een van zijn cartoons denken. Iemand zit op een stoel in zijn woonkamer het boek Mein Kampf te lezen en zegt: ‘Adolfje, Adolfje toch.’ Bij een artikel over het afkalven van gigantische gletsjers op Antarctica (daar is ie dan eindelijk weer eens, de naam van mijn blog) en het supersnel stijgen van de zeespiegel, dacht ik aan een mogelijke Gummbah-cartoon. Een man met een baard (lees: God) zit op een stoel in de hemel en kijkt naar de aarde. Hij schudt bedenkelijk het hoofd en zegt: ‘Mensheidje, mensheidje toch!’

Malibu – Carnaval

Dames en heren, met gepaste trots presenteer ik u de nieuwe single van de onvolprezen Nederlandstalige cultband Malibu. Het plaatje, met de toepasselijke titel Carnaval, had niet op een beter moment kunnen komen. Niet alleen is Nederlandstalige muziek hotter dan hot (zie tekstje hieronder; bron: Onze Taal), ook schijnt het binnenkort carnaval te zijn.

Op dit nummer laat de band zich van zijn meest veelzijdige kant horen, want het gaat van lijzige, lome, grungy rock via atmosferische ambient naar onversneden old-school psychedelica. Zaterdagavond 22 februari wordt het plaatje feestelijk gepresenteerd in Goirle. Ongetwijfeld in het bijzijn van bier. Nu alvast veel luisterplezier met dit Nederpop-pareltje.

Afbeelding van Berend Jan Ike

Taaltrend: ‘Ik mag….van mezelf.’

Ik heb ooit geleerd dat wetenschappelijk is vastgesteld dat de meeste taaltrends en taalveranderingen bij vrouwen beginnen. Vermoedelijk geldt dat ook voor de taaltrend die ik in dit stukje centraal stel: ‘Ik mag….van mezelf’, ook wel gebruikt als ‘Ik mag van mezelf…’ Wat is er aan de hand?

Tot voor een paar jaar geleden hoorde je in spreektaal en las je in schrijftaal wel eens de ontkennende variant van de genoemde uitdrukking. Die vind je online dan ook nog het vaakst terug, bijvoorbeeld in zinnen als ‘Ik mag van mezelf geen fouten maken’ of ‘Ik mag van mezelf niet twijfelen.’

De afgelopen jaren lijkt er echter iets te kantelen aan deze uitdrukking. Het gaat nu niet alleen meer over wat je niet mag van jezelf, maar steeds vaker over wat je wel mag. Dit filmpje – waarin Aaf Brandt Corstius aan tijdschrift Margriet uitlegt hoe ze haar dagen als schrijver doorkomt – deed mij beseffen dat ‘ik-mag-van-mezelf…’ nu echt gemeengoed is geworden. Op 00:46 zegt ze: ‘…dus ik mag drie koffie per dag van mezelf.’

Zoals zoveel taaltrends lijkt ook deze begonnen bij spreektaal, maar wint hij langzaamaan ook terrein in geschreven taal. Bij de zoektocht op internet lijken de voorbeelden die overeenkomen met mijn bevindingen allemaal van recente datum. Een greep:

Allemaal vrouwen! O nee, wacht, toch een man gevonden:

O, toch weer een vrouw:

Ok, genoeg zo, denk ik. Nog een laatste kanttekening. Is hier nou echt sprake van een positiviteitsboost die vanuit de samenleving (De meeste mensen deugen) in de taal doorsijpelt? Ik twijfel. Natuurlijk is het fijn dat we (vooral vrouwen) ineens van alles van onszelf mogen, maar stiekem impliceert dit natuurlijk vooral wat we niet mogen van onszelf. Ga maar na: als Aaf meldt dat ze drie koppen koffie per dag mag, betekent dat dus vooral ook dat dat er ab-so-luut niet vier, of zelfs maar vijf of zes mogen zijn. Net als overigens de leeftijd-in-koekjes, chocola en 1-aflevering-per-dag in de bovenstaande voorbeelden. Positieve uitzondering daarop is natuurlijk ‘het weer op social media mogen, nu het album er eindelijk is’. Maar die quote is dan weer afkomstig van? Juist, een man.

 

 

De weg van de eenzaamheid

De weg van de eenzaamheid is
lang en…
eenzaam.

Was dit het begin van een gedicht,
het zou in de prullenbak
verdwijnen,
maar in een popsong zou het niet misstaan.

Popmuziek en poëzie.
Soms komen ze nader, strelen en kussen ze elkaar, en soms
worden ze zelfs één. Bij Dylan bijvoorbeeld.
(volgens Dylan-liefhebbers dan, hè)

‘Pauze…voegwoord’ wordt ‘voegwoord…pauze’

Er valt me iets op aan mijn eigen taalgebruik en dat van alle Nederlandssprekenden om mij heen. Waar ik vroeger heb geleerd dat we bijzinnen dienen uit te spreken zoals we ze schrijven, heb ik nu het idee dat we met z’n allen in de spreektaal steeds vaker afwijken van de schrijftaal. Althans, waar het de uitspraak van bijzinnen betreft.

Een voorbeeld. ‘Ik vind dat we een aantal paragrafen uit de begroting moeten herzien, want er staan nu te veel onduidelijkheden in.’ Zoals je ziet, staat in deze zin de komma netjes waar zij hoort te staan, te weten vóór het voegwoord (want). Volgens mij is dat ook de manier waarop we een dergelijke zin vroeger uitspraken, dat wil zeggen: we lieten een natuurlijke pauze vallen op de plek van de komma en vervolgden de zin daarna bij het voegwoord. ‘Ik vind dat we een aantal paragrafen uit de begroting moeten herzien,’ [natuurlijke spreekpauze] ‘want er staan nu te veel onduidelijkheden in.’

Dit is echter niet hoe dergelijke zinnen tegenwoordig uitgesproken worden. In de praktijk hoor ik heel vaak dit: ‘Ik vind dat we een aantal paragrafen uit de begroting moeten herzien, want’ [spreekpauze] ‘er staan nu te veel onduidelijkheden in.’ Deze taalverandering lijkt niet voorbehouden aan bepaalde groepen in de samenleving, want ik hoor haar bij iedereen terugkomen: man, vrouw, oud, jong (mijn zoontje van 4!!!).

Ik denk niet dat er door deze verandering veel verloren gaat en vind de nieuwe manier van bijzinnen uitspreken ergens ook wel logisch. Doordat je het voegwoord al hebt uitgesproken, heb je voor jezelf en de andere gesprekspartners al duidelijk wat het verband tussen hoofd- en bijzin gaat zijn. Het voordeel ten opzichte van de ‘oude’ spreekwijze is echter dat je hersenen nu wat meer tijd hebben om de daadwerkelijke bijzin te formuleren, vóórdat je hem gaat uitspreken.

Tot zover dit wel heel specifieke, taalkundige mini-essay.

Fresku heeft gelijk

Wijze woorden van Fresku, dit weekend in het Volkskrant Magazine (weekendwijsheid, 18-01-2020). De Eindhovense rapper heeft een gezin en een drukke baan en worstelt net als een groot deel van de bevolking met het (eerlijk) verdelen van de aandacht tussen die twee.  ‘Als ik weer bedenk dat iets belangrijk is (…) kan ik daar helemaal in opgaan, loopt mijn agenda vol en blijft er nóg minder tijd over voor mijn gezin.’ Herkenbaar. Maar ook zijn oplossing voor dit probleem is gelukkig herkenbaar, en bevestigt mijn eigen ideeën hieromtrent: ‘Door verhalen te vertellen aan mijn kinderen, of samen een eigen spelbord voor Dungeons en Dragons te bedenken; wanneer zij iets verzinnen, zit ik het soms de hele nacht uit te tekenen. Het levert geen nieuw werk op, geen geld of bekendheid, maar het helpt wél om op een natuurlijke manier bij mijn gezin betrokken te blijven.’

Aanvankelijk was mijn zoontje (4) steevast jaloers als ik in zijn bijzijn een muziekinstrument bespeelde, maar gaandeweg accepteerde hij dat een liedje voor het slapengaan bij papa betekende dat papa zichzelf begeleidde op gitaar. En op een bepaald moment gebeurde het: papa bedacht zelf liedjes bij de leefwereld van zoonlief. Zelfbedachte liedjes over Thomas de trein, dino’s, bouwmachines, mammoeten, noem ze maar op. Er is geen kinderinteresse zo breed of er is een tekst, melodie, couplet, refrein en brug bij te verzinnen.

Het leukst is het om aan te sluiten op wat er zojuist nog is voorgelezen. Ik weet niet hoeveel liedjes er in de Nederlandse taal over de quetzalcoatlus zijn gemaakt, maar sinds afgelopen week is het er in elk geval één. Het zal nooit een hit worden op de nationale radio, Spotify of zelfs maar Soundcloud, maar het bestaat, want ergens klonk het een keer heel zachtjes uit de enige bovenverdieping van een knusse, kleine vinexwoning.

Roos en Eefje en Ronald

Hallo, daar ben ik weer. Mag je in een blogje van de hak op de tak springen? Vast wel. Wat mij dezer dagen bezighoudt: nieuwe albums van waarschijnlijk de beste twee Nederlandstalige artiesten van de afgelopen 10+ jaar: Eefje de Visser (lees ook het interview met haar in de laatste Knack Focus) en Roosbeef. Niet alleen zijn ze de beste Nederlandstalige artiesten van de afgelopen 10+ jaar, ze zijn ook beiden geniaal. Ik heb allebei de albums in het vooruit besteld via de ‘ouderwetse’ MP3-winkel van het bekende naar een vrucht genoemde computermerk.

En verder? Probeer ik, net als een paar jaar terug bij zijn vorige show, kaartjes te bemachtigen voor de try-outs van ’s Neerlands beste cabaretier, Ronald Goedemondt. Helaas hebben meer mensen door dat hij de beste is, want het is bijna onmogelijk om aan kaarten te komen. En nu zijn het nog try-outs, maar straks is de show af en komt de echte grote tournee eraan, maar zelfs dan vrees ik dat het gekkenwerk wordt om aan kaarten te komen. Nou ja, ik blijf het proberen. En tot die tijd vermaak ik me met oude shows. Hieronder een absolute klassieker (als ie zich kwaad maakt is ie op z’n best, vind ik) waarin iedereen zich herkent. Ik kan zelfs niet meer het huis stofzuigen zonder even aan deze sketch te denken.

Woord van de dag: presolaire korrel

Schermafbeelding 2020-01-14 om 19.54.14

Ok, welbeschouwd is het natuurlijk geen woord maar een woordgroep, maar toch: de presolaire korrel is met afstand het welluidendste wat ik vandaag in de media ben tegengekomen.

Eigenlijk moet je je er niet meteen in verdiepen, maar gewoon even spelen met deze prachtige taalvondst:

– ‘Mama, ik kan mijn presolaire korrels niet vinden!’
– ‘Dan heb je nog niet goed in je speelgoedhoek gekeken, Maan!’

of

De amuse in het driesterrenrestaurant bestond uit een voorzichtig geglazuurd stukje zee-egel op een bedje van gesuikerde herfst-spiering, gegarneerd met langdurig in wortelnoten vaten gerijpte presolaire korrels.

of

‘Dokter, ik heb de laatste tijd zo’n jeuk in mijn anus.’
‘Ik zie het al: presolaire korrels. Dagelijks drie bekers warme anijsmelk en u bent er binnen no-time vanaf, hoor!’

Nee, het is niet aan mij om uit te leggen wat presolaire korrels zijn. Dat kunnen wetenschapsjournalisten veel beter. Die, én de Jeugd van Tegenwoordig. (Ik kwam ergens in het NRC-artikel het woord sterrenstof tegen….)