Dansen in de modder

Jarenlang bleef Daniël Lohues voor mij de man die het met een klein bandje (drums, bas, zang/gitaar), zingend in de taal van zijn geboortestreek (Drente) voor elkaar kreeg om een bepaalde editie van Lowlands in de jaren ’90 – ik weet niet meer welke – compleet te domineren, al was het maar doordat er geen plekje op het festivalterrein te vinden was waar je het logo van de band, Skik geheten, níet tegenkwam. En natuurlijk was en is Skiks grootste hit Op fietse een geniaal liedje. Er zijn zoveel meer mensen die dat lied kunnen meezingen dan dat er mensen zijn die werkelijk weten wat er gezongen wordt. Maar, zoals gezegd, bij die ene hit bleef het jarenlang voor mij, wat betreft kennis van en liefde voor de band Skik en zijn charmante frontman.

Dit alles veranderde toen ik in 2011 op een regionale Brabantse zender het lied Van leege noar hooge hoorde, het eerste nummer van Lohues’ vijfde soloplaat Hout moet. Zelden heb ik bij een eerste luisterbeurt van een liedje dat meteen alles klopt: de tekst, de melodie, het arrangement, de instrumentatie, noem het maar op. Maar hoe Lohues hier de eeuwige cadans van het leven bezingt (van somber naar blij, van laag naar hoog) ging via een directe verbinding rechtstreeks mijn ziel in.

De jaren daarna bleef ik zijn albums volgen en wat opviel was de constante kwaliteit ervan. Goede liedjes met behoorlijk wat afwisseling en altijd gemaakt door iemand die precies weet wat hij doet en die ook nog eens verschillende instrumenten (gitaar, piano, mandoline) tot in de puntjes beheerst. Niet zelden tref je bij Lohues’ pianoliedjes akkoordenwisselingen aan die je verder alleen in klassieke muziek tegenkomt. Als hij liedjes schrijft die middeleeuws aandoen lijken ze de sfeer van een verder nooit in audio en video vastgelegde tijd bijna feilloos op te roepen. Ik ken niemand anders in Nederland die dat kan. En o ja, ik geloof dat mijn Drents dankzij zijn muziek inmiddels echt van een aardig niveau is.

Op 28 februari 2020 verscheen alweer het 14e soloalbum van Daniël Lohues. De plaat heet Sowieso en bevat sowieso al één geweldig nummer voor deze rare tijd: Dansen in de modder. Luister en geniet.

 

 

‘Is it a crisis or a boring change?’

Sommige zinnen uit popliedjes zijn zo briljant dat ze je op ieder willekeurig moment in je leven zomaar te binnen kunnen schieten. Ik had dat de afgelopen twee weken af en toe met het (vraag)zinnetje ‘Is it a crisis or a boring change?‘. Het moet te maken hebben gehad met het feit dat het woord crisis via allerlei kanalen ongeveer 35000 keer per dag tot je komt. Pas bij de tiende keer besefte ik ineens van wie het afkomstig was. Het is bedacht door Stephen Malkmus, zanger/gitarist/songschrijver/frontman/poëet/icoon van de legendarische 90’s indie-rockband Pavement.

Flashback naar de 90’s. Mijn eerste grote liefde heeft het – na een filmavondje in mijn ouderlijk huis met allerlei vrienden (we keken The Mask, of Ace Ventura: Pet Detective, of allebei, in elk geval was het een film met Jim Carey in de hoofdrol) – net uitgemaakt en omdat ik niet kan slapen besluit ik maar een onlangs van een vriend geleende – maar nog niet beluisterde – cd in de cd-speler te doen. Het is Wowee Zowee derde studio-album van Pavement. De muziek vult mijn hoofd en hele lijf met troost, al weet ik niet precies waarom. Echt welgevormd klinkt ze namelijk niet. De zanger zingt onmiskenbaar vals, de gitaren fladderen alle kanten op en staan overduidelijk in allerlei alternatieve stemmingen gestemd, nummers hebben vaak geen couplet en refrein, geen kop en staart, behalve vierkwarstmaten komen er ook allerlei andere maatsoorten voor in voor (waarvan de 6/4 mijn nog het meeste als Pavement-achtig bijblijft) en – last but not least – de teksten zijn nu eens aards en alledaags en dan weer onbegrijpelijk metafysisch en dichterlijk. Kortom, dit moet wel de raarste band zijn die ik tot dan toe ontdekt heb in mijn nog prille leven.

Flashforward naar driekwart jaar later. Ik lig met een zware keelontsteking dagenlang in het bed van mijn ouders en zie de datum dat ik mijn inmiddels lievelingsband live in Paradiso in Amsterdam zou gaan zien, 4 april 1997, angstig naderbij komen. Als de dag daadwerkelijk aanbreekt heb ik nog steeds verhoging en lig ik nog steeds met die keelontsteking in dat bed. Tot mijn grote verdriet moet ik het concert missen. Schrale troost: mijn eerste grote liefde en ik zijn zo zoetjes aan weer bij elkaar gekomen en de dag van het concert komt ze me troosten aan het bed van mijn ouders, alle waarschuwingen over besmettelijkheid in de wind slaand.

Pas twee en een half jaar later zie ik de band alsnog live in 013 in Tilburg. Niet veel later gaat Pavement uit elkaar, maar gelukkig is er een fantastische reunietour in 2010 die de band ook weer naar Paradiso in Amsterdam brengt. Ik ben er bij en geniet met volle teugen van het optreden, af en toe terugdenkend aan het dertien jaar eerder gemiste optreden.

Anno 2020 is Stephen Malkmus actiever dan ooit. Na Pavement bracht hij zeven platen uit onder de naam ‘Stephen Malmus & the Jicks’ en 6 maart jongstleden verscheen Traditional Techniques, zijn tweede ‘echte’ soloplaat na het vorig jaar verschenen slaapkamer-experiment Groove Denied. En alsof dat allemaal nog niet genoeg is heeft hij ook aangekondigd weer met Pavement te gaan optreden.

‘Is it a crisis or a boring change?’ Laten we voor het relativerende antwoord gaan: een saaie verandering. Crisis is een irritante grootse term. In saaie veranderingen daarentegen zit de sleur en alledaagsheid die ons leven kenmerkt en die ons uitdaagt om er waar mogelijk een artistieke en poëtische draai aan te geven.

Rest mij niks ander dan jullie naar de oorspronkelijke songtekst te verwijzen waar het zinnetje uit komt. En toch maar even het nummer en de clip. (Het nummer Gold Soundz stond trouwens niet op het eerder genoemde album Wowee Zowee, maar op zijn voorganger, Crooked Rain, Crooked Rain)

 

 

 

 

Wat te doen met de eeuwigheid?

‘Gebruik je de eeuwigheid híervoor?’, vraagt Andy MacDowell aan Bill Murray, ergens op driekwart van de film Groundhog Day. Weerman Phill Connors, het personage van Murray, heeft zojuist aan zijn grote, maar onbereikbare liefde opgebiecht dat hij al tijden iedere dag weer dezelfde dag beleeft in hetzelfde suffe provinciestadje.

Eindeloos probeert hij Rita (MacDowell) iedere dag weer te versieren, maar tevergeefs. Iedere keer als hij denkt dat hij haar bijna veroverd heeft, wordt hij de volgende dag wakker en blijkt zij totaal onwetend te zijn van al zijn voorgaande versierkunsten.

Als Murray eindelijk heeft uitgelegd in wat voor bizarre situatie hij beland is – íedere dag wakker worden in hetzelfde onbetekenende rotstadje en íedere dag beseffen dat het exact dezelfde dag is als de voorgaande –  lukt het hem zowaar om MacDowell bij zich op bed te krijgen (het blijft nog wel platonisch allemaal). Hij laat aan haar zien hoe goed hij is in het van een afstandje speelkaarten gooien in een hoed en probeert het ook aan haar te leren. ‘You’ve got to BE the hat. BE the hat!’ Waarop zij aan hem de retorische vraag stelt: ‘Is this what you do with eternity?’ ‘Gebruik je de eeuwigheid híervoor??’

Ik heb de afgelopen week weer af en toe aan deze film moeten denken, die ik vanaf het moment dat hij uitkwam, tijdens mijn tienerjaren, eindeloos vaak gezien heb. Nooit eerder kwam het Groundhog Day-gevoel – het gevoel vast te zitten in een soort eindeloze tijdlus – dichterbij dan nu. Ik stel mezelf dan ook meerdere malen per dag de vraag: wat gaan we doen met de eeuwigheid?

Phil Connors doorloopt in Groundhog Day dezelfde stadia die zoveel mensenlevens kenmerken: via hedonistische uitspattingen en somberte (zelfmoord-acties die niet werken, omdat hij de volgende dag gewoon weer levend wakker wordt) komt hij uiteindelijk tot het geweldige inzicht dat je maar beter het beste kunt maken van het leven. Hij gaat andere mensen helpen en ontplooit zich onder andere door piano te leren spelen en ijssculpturen te leren maken. En o ja, hij wordt een kei in van een afstandje speelkaarten mikken in een hoed.  Zijn die dingen zinvol? Dat niet. Maar het leven wordt er wel leuker, bevredigender en makkelijker door. En dat is ook wat waard.

Ik hoop dat iedereen die een beetje Corona-depri wordt Groundhog Day gaat kijken. Phill Connors leert ons: we moeten er het beste van maken.

Groundhog Day

Fins bier: drink het, nu!

mosaic bier

Meisjes, jongens, komt dat proeven, komt dat proeven! Wat ik nu toch ben tegengekomen bij een niet nader te noemen Duitse grootgrutter: Fins bier. Lekker voor na een saunabezoekje, maar ook voor na het bridgen, keramisch koken, tango-dansen, de krant lezen, lijm snuiven etc. Ik ga er bijna van zingen:

Fins bier, Fins bier, Fins bier, een lekkere worst
De worst is voor de honger en het bier is voor de dorst!

Pleidooi voor middelmatigheid

Gisteren de hele dag met vakgenoten gekeken hoe we de resultaten voor de directeur omhoog kunnen krijgen. En dan hoor ik je vragen: in welke branche werk je dan? In het onderwijs! Als we niet bezig zijn met leerlingen laten excelleren, zijn we wel bezig om onszelf op te stoken om het alsmaar beter, beter, beter te doen.

Ooit, ik was geloof ik een jaar of 20, meldde ik plompverloren tijdens het grote kerstdiner in het ouderlijk huis dat ik er geen enkel probleem mee zou hebben om later middelmatig te zijn. Mijn schoonzus reageerde verbaasd, verbolgen bijna. Hoe kun je nou niet willen uitblinken in iets?

Mijn uitgesproken voornemen ebde langzaam weg, maar nu, na een half leven lang diploma’s, targets en promoties komt het me eigenlijk wel weer als de enige juiste levensweg voor: middelmatig zijn, gewoon zijn. Heerlijk!

levensweg

‘Oh, by the way, which one’s Pink?’

Ik zal al pielend met een nieuw reverb-pedaal wel een beetje David Gilmour-achtig hebben geklonken, onlangs in de oefenruimte. Onze drummer begon namelijk na een lange jam ineens over een Pink Floyd-nummer dat ik eigenlijk nog niet echt kende. Het ging om Have a Cigar: een cynische, ruim vijf minuten durende tirade tegen het archetype van de gierige platenbons, verpakt in licht psychedelische bluesrock met een synthesizer-sausje.

Het lied staat op het album Wish you were here uit 1975 en was daarop eigenlijk een buitenbeentje. Bijna de hele rest van de plaat was één lange ode aan gevallen held en oer-bandlid Syd Barrett, maar in Have a cigar gaat het overduidelijk alleen over de periode tussen pak hem beet het eclatante succes van doorbraakplaat Dark Side of the Moon en het plannen van het album dat later Wish you were here zou worden.

Luisterend naar de tekst waan je je in een protserig platenbazenkantoor anno 1974 en hoor je een man in een iets te duur pak aan een paar beteuterde – door het plotselinge succes overvallen – voormalige artistieke alto’s uit de 60’s een sigaar aanbieden die staat voor een duivelse deal waaraan de man in het pak uiteraard onevenredig veel geld gaat verdienen; geld dat eigenlijk voornamelijk in de zakken van de voormalige alto’s zou moeten verdwijnen.

Maar wat blijft er over van dit bijtende cynisme als de mannen in kwestie (inmiddels zijn er nog maar drie over trouwens; toetsenist Richard Wright overleed in 2008) driedubbel dik miljonair zijn geworden met alle legendarische muziek die ze gemaakt hebben? Deze kritische retorische vraag komt niet van mijzelf, maar van drie mensen op het fantastische songtekst-platform Lyrics Genius.

In een bijdrage van de users Gremal, Avi, en Zille (een gedicht op zich) lees je:

It’s worth noting that, as much as the lyrics spoof and criticize the record executive, they don’t cast Pink Floyd in the greatest light, either. Here is a band that indeed did try to make it and succeeded. Their fans loved them. They became millionaires. And much of this was made possible by the record industry that Floyd now berates. There is an element of biting the hand that fed them and worse, of whining and self-pity from a group of millionaires who play music and explore self expression for a living. If record execs were as superficial as Floyd suggests, they would not allow themselves to be spoofed in this manner.

Maar wat bij alle fans en top 2000-kenners het meeste blijft hangen uit dit lied is toch wel de vraag die –  in de songtekst gesteld door de verwende platenbaas – symbool staat voor de desinteresse van de vrije markt-graaiers voor de wereld van de schone kunsten. De man in het te dure pak vraagt aan de inmiddels wereldberoemde band (band! niet: singer-songwriter!): ‘Oh, by the way, which one’s Pink?’ U en ik weten: er was niemand in de band Pink Floyd die daadwerkelijk die naam droeg, hoewel het wel degelijk een samensmelting was van twee obscure blueszangers, Pink Anderson en Floyd Counsil. Wie op het geniale idee kwam om die twee namen achter elkaar te zetten? Oer-gitarist Syd Barrett. Maar dat is een verhaal voor een andere keer.

 

Over de uitspraak van het woord ‘vanille’

Van de uitspraak van het woord ‘vanille’ kan ik ’s nachts wakker liggen. Niet écht natuurlijk, maar het leek me wel een pakkende beginzin.

Ik heb eigenlijk altijd ‘vaa-nie-juh’ gezegd en voor mijn gevoel is dat ook de correcte uitspraak. Toch hoor ik hier thuis meestal ‘va-niel-juh’ en dat vind ik dan weer een stuk minder klinken. Het klinkt een beetje als ‘ik verniel je’ en dat is gewoon niet iets wat je zegt als je iemand de liefde wilt verklaren of iets dergelijks. Ook als je een muntje voor de campingdouche nodig hebt, klinkt de vernielvariant eerder als een uiting van agressie dan van genegenheid of naastenliefde.

Dat gezegd hebbende, misschien kan hier nog verandering in gebracht worden door een of andere liedjesschrijver of taalvirtuoos. Ik kan me zomaar voorstellen dat een carnavalskraker ‘Ik wou een ijsje met vanielje (maar ik duwde, en toen viel je)’ tot de mogelijkheden behoort.