‘Pauze…voegwoord’ wordt ‘voegwoord…pauze’

Er valt me iets op aan mijn eigen taalgebruik en dat van alle Nederlandssprekenden om mij heen. Waar ik vroeger heb geleerd dat we bijzinnen dienen uit te spreken zoals we ze schrijven, heb ik nu het idee dat we met z’n allen in de spreektaal steeds vaker afwijken van de schrijftaal. Althans, waar het de uitspraak van bijzinnen betreft.

Een voorbeeld. ‘Ik vind dat we een aantal paragrafen uit de begroting moeten herzien, want er staan nu te veel onduidelijkheden in.’ Zoals je ziet, staat in deze zin de komma netjes waar zij hoort te staan, te weten vóór het voegwoord (want). Volgens mij is dat ook de manier waarop we een dergelijke zin vroeger uitspraken, dat wil zeggen: we lieten een natuurlijke pauze vallen op de plek van de komma en vervolgden de zin daarna bij het voegwoord. ‘Ik vind dat we een aantal paragrafen uit de begroting moeten herzien,’ [natuurlijke spreekpauze] ‘want er staan nu te veel onduidelijkheden in.’

Dit is echter niet hoe dergelijke zinnen tegenwoordig uitgesproken worden. In de praktijk hoor ik heel vaak dit: ‘Ik vind dat we een aantal paragrafen uit de begroting moeten herzien, want’ [spreekpauze] ‘er staan nu te veel onduidelijkheden in.’ Deze taalverandering lijkt niet voorbehouden aan bepaalde groepen in de samenleving, want ik hoor haar bij iedereen terugkomen: man, vrouw, oud, jong (mijn zoontje van 4!!!).

Ik denk niet dat er door deze verandering veel verloren gaat en vind de nieuwe manier van bijzinnen uitspreken ergens ook wel logisch. Doordat je het voegwoord al hebt uitgesproken, heb je voor jezelf en de andere gesprekspartners al duidelijk wat het verband tussen hoofd- en bijzin gaat zijn. Het voordeel ten opzichte van de ‘oude’ spreekwijze is echter dat je hersenen nu wat meer tijd hebben om de daadwerkelijke bijzin te formuleren, vóórdat je hem gaat uitspreken.

Tot zover dit wel heel specifieke, taalkundige mini-essay.

Woord van de dag: presolaire korrel

Schermafbeelding 2020-01-14 om 19.54.14

Ok, welbeschouwd is het natuurlijk geen woord maar een woordgroep, maar toch: de presolaire korrel is met afstand het welluidendste wat ik vandaag in de media ben tegengekomen.

Eigenlijk moet je je er niet meteen in verdiepen, maar gewoon even spelen met deze prachtige taalvondst:

– ‘Mama, ik kan mijn presolaire korrels niet vinden!’
– ‘Dan heb je nog niet goed in je speelgoedhoek gekeken, Maan!’

of

De amuse in het driesterrenrestaurant bestond uit een voorzichtig geglazuurd stukje zee-egel op een bedje van gesuikerde herfst-spiering, gegarneerd met langdurig in wortelnoten vaten gerijpte presolaire korrels.

of

‘Dokter, ik heb de laatste tijd zo’n jeuk in mijn anus.’
‘Ik zie het al: presolaire korrels. Dagelijks drie bekers warme anijsmelk en u bent er binnen no-time vanaf, hoor!’

Nee, het is niet aan mij om uit te leggen wat presolaire korrels zijn. Dat kunnen wetenschapsjournalisten veel beter. Die, én de Jeugd van Tegenwoordig. (Ik kwam ergens in het NRC-artikel het woord sterrenstof tegen….)

 

 

Over de uitspraak van het woord ‘vanille’

Van de uitspraak van het woord ‘vanille’ kan ik ’s nachts wakker liggen. Niet écht natuurlijk, maar het leek me wel een pakkende beginzin.

Ik heb eigenlijk altijd ‘vaa-nie-juh’ gezegd en voor mijn gevoel is dat ook de correcte uitspraak. Toch hoor ik hier thuis meestal ‘va-niel-juh’ en dat vind ik dan weer een stuk minder klinken. Het klinkt een beetje als ‘ik verniel je’ en dat is gewoon niet iets wat je zegt als je iemand de liefde wilt verklaren of iets dergelijks. Ook als je een muntje voor de campingdouche nodig hebt, klinkt de vernielvariant eerder als een uiting van agressie dan van genegenheid of naastenliefde.

Dat gezegd hebbende, misschien kan hier nog verandering in gebracht worden door een of andere liedjesschrijver of taalvirtuoos. Ik kan me zomaar voorstellen dat een carnavalskraker ‘Ik wou een ijsje met vanielje (maar ik duwde, en toen viel je)’ tot de mogelijkheden behoort.