Een open deur waar je geen speld tussen krijgt

Zondagochtend, 07:00 uur. De deurbel gaat. Als ik opendoe staar ik recht in het strenge gezicht van een soort politieagent in een knalpaars uniform. ‘Bent u de eigenaar van de website De Laatste IJsschots?’, vraagt hij. ‘Dat ben ik inderdaad’, stamel ik beduusd. ‘Dan wil ik u namens de beeldspraakpolitie dringend verzoeken uw blogpost van hedenochtend zo spoedig mogelijk aan te passen. U maakt zich daarin namelijk schuldig aan een ernstige vorm van KB.’ ‘KB?’ Verdwaasd staar ik de paarse agent aan. ‘Ik weet niet wat KB is. Ik heb daar nog nooit van gehoord. Hoe kan ik me er nou schuldig aan maken?’ ‘KB is Krukkige Beeldspraak en de titel van uw blogpost van hedenochtend is een grove overschrijding van het NNBP’, bijt de agent mij nu nog strenger toe. ‘Het NNBP? Wat is dat nou weer?’ vraag ik hem. ‘Het Nieuw Nederlands Beeldspraak Peil. In het 465 pagina’s tellende manifest dat vorig jaar is verschenen worden de grenzen haarfijn uiteengezet aan de lezer. Uw ‘open deur waar je geen speld tussen krijgt’ is zowel een overtreding van artikel 5 lid 1 onder D als van artikel 23 lid 3 onder B. Als u de gewraakte kop onmiddellijk verwijdert zullen we deze grove misstap door de vingers zien en blijft een boete van 94 euro en 50 eurocent u bespaard. Een goede dag nog.’ De agent beent weg door de ochtendmist en laat een verbouwereerde blogger in vertwijfeling achter.

Mensheidje, mensheidje toch!

Ik ben nu geloof ik al een jaar of vijftien fan van de kunstenaar-satiricus Gummbah. Ik vond ooit bij een ex-vriendin een van zijn cartoon-boekjes, nam het mee naar de wc en kwam er na vele onbedaarlijke schaterlachbuien pas weer vanaf. Inmiddels bezit ik zelf enkele van zijn boeken en boekjes, waarvan het geniale Net niet verschenen boeken denk ik mijn favoriet is.

Mijn wederhelft is iets minder fan, maar haar gevoel voor humor is ver genoeg ontwikkeld om gezamenlijk van de briljante cartoons te kunnen genieten. Het Gummbah-idioom zit inmiddels zo in onze systemen verankerd dat we soms – bij de aanblik van alles wat lelijk is in het leven (mensen, dieren, meubels, dingen, gebouwen, situaties, taferelen) – elkaar maar hoeven aan te kijken om vast stellen: ‘Inderdaad: Gummbah.’

Bij het lezen van de krant moest ik vanochtend even aan een van zijn cartoons denken. Iemand zit op een stoel in zijn woonkamer het boek Mein Kampf te lezen en zegt: ‘Adolfje, Adolfje toch.’ Bij een artikel over het afkalven van gigantische gletsjers op Antarctica (daar is ie dan eindelijk weer eens, de naam van mijn blog) en het supersnel stijgen van de zeespiegel, dacht ik aan een mogelijke Gummbah-cartoon. Een man met een baard (lees: God) zit op een stoel in de hemel en kijkt naar de aarde. Hij schudt bedenkelijk het hoofd en zegt: ‘Mensheidje, mensheidje toch!’

Creatiedrang

Soms heb je dat; dat je op zaterdagochtend onder de douche vandaan komt, een schoon shirt aantrekt, en denkt: ‘Eigenlijk zou ik nu een shirt aan willen trekken dat ik zelf heb ontworpen.’ In de stad zit een winkel waar ik een paar jaar geleden voor de andere drie jongens van de band waar ik destijds inzat shirts liet maken. Voor mijzelf liet ik een lichtblauwe maken met roze letters en verdomd als ’t niet waar is, het ding is inmiddels talloze keren gewassen maar ziet er nog steeds uit als nieuw. Alleen om dat simpele feit al zou ik nog eens terug willen naar die winkel met een goed idee voor een shirt.

De Slapende Leeuw

slapende leeuw

Ik zocht al een tijdje naar iets waar ik een blogje over kon tikken en toen zag ik zojuist het nieuws over dit kleine gedrochtje. Het is ’s werelds grootste zoetwaterparel en ze (volgens Van Dale mag ‘hij’ ook, maar dat persoonlijk voornaamwoord staat wel tussen haakjes, dus ik denk dat vrouwelijk verwijzen naar het woord ‘parel’ de voorkeur geniet) heet ‘De Slapende Leeuw’. Ze zou drie eeuwen geleden al opgedoken zijn.

Kijk, evenals bij die ridder waarover ik een tijdje terug schreef (nog steeds met stip het best gelezen stuk van mijn blog) moet ik bekennen dat ik het eigenlijk het leukst vind om niet meteen naar Wikipedia te surfen maar om eerst even rustig mijn eigen fantasie de vrije loop te laten. Mensen weten blijkbaar al drie eeuwen van het bestaan van dit ding en toch bereikt het ons vandaag pas echt massaal via alle punt-ennellen (Telegraaf.nl, AD.nl, Nu.nl) die ons land rijk is.

Het cliché-plaatje van een parel is volgens mij dat ie perfect rond is. Dat is dit ding sowieso niet. Een soort van wit is ze wel, dat moet ik haar nageven. Mensen hebben zich denk ik terecht afgevraagd waar dit wezen het meest aan doet denken en daar kwam toen niet alleen ‘leeuw’ uit, maar ook ‘slapende’. Dat vind ik nog niet eens zo gek gekozen. Een diertje in een liggende houding kan iedereen er denk ik nog best makkelijk in zien, maar dan wel een liggend egel-foetusje ofzo. En dan waarschijnlijk levenloos, want anders zat het nog wel in de baarmoeder. Niet per se iets om vrolijk van te worden.

Er is volgens mij een beroemd liedje over een slapende leeuw in een machtige jungle en ik zou het supergaaf vinden als nu ook ineens nog zou blijken dat dat nummer over mevrouw de mismaakte parel gaat. En dat je dan trots aan mensen op kantoor vertelt dat je daar achter bent gekomen en dat ze dan verbaasd reageren met: ‘Wist jij dat ECHT niet??? Serieus?? Onder welke groot uitgevallen mismaakte parel heb JIJ gelegen, zeg???’

Nou ja, ik had het over mijn fantasie en die slaat nu allemaal onbedoelde zijpaden in.

Ok, het betreft hier weer een kunstschat. Een mismaakte kunstschat weliswaar, maar toch, een kunstschat. Indiana Jones zou daar in een spannend avontuur naar op zoek kunnen gaan, maar daar is het ding toch wat te kluchtig voor. Wat mij wel leuk lijkt: dat de Van Rossems in hun programma in een of ander museum in Hiephoiderzijl ineens op dit ding stuiten en dat Cis dan een enorm verhaal afsteekt dat door Maarten constant onderbroken wordt. Maar in plaats van dat hij het object continu afkraakt breekt hij er juist een ontzettende lans voor, wat zijn broer Vincent dat weer niet snapt. Dat lijkt me een mooi eindpunt voor mijn eerste blogje sinds tijden. Weltrusten.

Straatje

Jan_Vermeer_van_Delft_025

Tijdens het hardlopen vanmorgen vroeg moest ik ineens denken aan Het Straatje van Vermeer. En dat terwijl ik door lommerrijke voorstedelijke lanen ren die in de verste verte niet doen denken aan het beroemde schilderij.

In een van die nette lommerrijke lanen zag ik echter op een stoep een gigantische berg rose-witte blaadjes van een magnoliaboom liggen (die zie ik de laatste tijd ineens overal trouwens….). Ik dacht: goh, wat val je in dit netjes aangeharkte landje toch op als je even je eigen straatje niet hebt schoongeveegd. En voor je het weet probeer je je te bedenken welke andere uitdrukkingen het Nederlands nog heeft met het woord straatje erin en eigenlijk kwam ik maar op één echt goede: iets is precies in mijn straatje. Geen idee of mensen die nog gebruiken trouwens. En ja, omdat de uitdrukkingen in mijn hoofd toch wat dun gezaaid bleken dwaalde ik af naar het beroemde Straatje van Vermeer.

Net als heel veel mensen heb ik op een bepaald moment in mijn leven een soort 17e eeuw-fetish opgelopen. Die werd destijds aangewakkerd door dit boek dat ik voor mijn studie Nederlands moest lezen en ik weet nog dat ik in die tijd in iedere oude binnenstad uren moest blijven zoeken naar het perfecte 17e-eeuwse pandje met het perfecte trapgeveltje. En de ironie wil natuurlijk: dat pandje bestaat helemaal niet. En toch kom je er soms een tegen dat in elk geval in de buurt komt. Zo ook het huis op Het Straatje. Wat je daarop ziet komt onmiskenbaar overeen met alles wat je over de 17e eeuw in je hoofd hebt, maar ook juist op subtiele punten weer niet.

Allereerst is het trapgeveltje net even anders dan de meeste trapgevels, maar als ik er langer naar kijk is dat eigenlijk niet eens wat het schilderij zo bevreemdend en betoverend maakt. Wat Het Straatje voor mij zo bijzonder maakt is eigenlijk juist het romantische van de voorstelling, het nostalgische, het imperfecte, het schots en scheve, de witte verf onderaan de gevel die nogal rommelig is aangebracht, de scheuren die je tussen de bakstenen ziet, de scheve muurankers. In het schilderij is niet de glorie en perfectie van de Gouden Eeuw vastgelegd, maar juist een vergankelijkheid waarvan Vermeer kennelijk toen al begreep dat die inherent is aan iedere willekeurige tijd waarin we leven.

’t Lijkt trouwens wel een keurig geveegd straatje, dat dan weer wel.