Bert-Jan

Zoon (6), starend naar een landkaartje in de krant: ‘Papa, hoe spreek je dit uit?’ Vader: ‘Berdyansk? Dat is een grappige plaatsnaam. Hij klinkt een beetje als de Nederlandse naam Bert-Jan.’ ‘Maar papa, oorlog ís helemaal niet grappig!’

De heggenmus

Iets zit me dwars. Of beter gezegd: iets wat er niet is, zit me dwars. Er bestaat dus géén enkel boek over de heggenmus. Niet in het Nederlands, niet in het Engels en hoogstwaarschijnlijk ook niet in een andere taal. Zo’n boek bestaat gewoon niet, nergens. Punt.

‘Maar waarom wil je zo graag een boek lezen over de heggenmus?’, hoor ik u vragen. Dat zit zo.

Ik vertelde op deze plek al eens dat het zo vreselijk jammer was dat we na onze verhuizing van de ene naar de andere kant van het dorp ineens zoveel minder vogelsoorten in onze tuin hadden. Bij het oude huis, aan de andere kant, kwam van alles op bezoek, in de bijna vijf jaar dat we er woonden: allerlei soorten mezen (niet alleen kool- en pimpelmezen, maar ook zwarte mezen, staartmezen, kuifmezen en glanskoppen), vuurgoudhaantjes, puttertjes, sijsjes, boomklevers, bonte spechten en zelfs een keer een sperwer. Waarschijnlijk vergeet ik nog een paar soorten. De verscheidenheid was – voor iemand die altijd in drukke steden had gewoond en van het bestaan van allerlei vogelsoorten niet eens afwist – gigantisch.

En toen kwam de verhuizing. In het begin dachten we nog dat we gewoon geduld moesten hebben, maar nee, na tweeënhalf jaar is het aanbod nog even schraal als toen we hier neerstreken. Toegegeven, er zijn waarschijnlijk plekken in Nederland waar mensen niet een gigantische huismussenfamilie als achterburen hebben, en misschien zouden sommige Nederlanders, als ze op bezoek komen bij ons, zich vergapen aan al die langsvliegende kool- en pimpelmeesjes, maar verder zijn het vooral kauwen, eksters en houtduiven die hier bivakkeren. Intrigerend op hun eigen manier, maar ook niet meer dan dat.

Toch is er één vogeltje dat me hier altijd weer blijft fascineren. Hij (zij??) houdt de eer van alle andere vogels hoog, mag je wel zeggen. Eerst had ik niet eens door wie hij was. Ik kende zijn soort al wel van ons oude huis, maar daar viel me altijd alleen maar op dat hij op de grond zat rond te scharrelen, terwijl de sterk op hem lijkende huismus (geen familie!) het zo vaak hogerop zocht. Maar op een dag, in de eerste lente die we hier meemaakten, hoorde ik ineens een vogeltje prachtig zingen, als enige in de hele buurt. Ik herkende zijn zang in eerste instantie niet. Raadselachtig was die, vond ik. Totdat ik hem wel in de smiezen kreeg (hij bleek het leuk te vinden om zijn lied vanaf het hoogste takje in de boom de hele wijk in te slingeren) en tot mijn verbazing ontdekte dat hij klein, onopvallend en grijs-bruinig was. Een mus. Toch? Maar dat is geen zangvogel! Foto maken van het beest. Vogelboekje erbij pakken. En wat bleek: het was een heggenmus! Fantastisch. Hij bleek te kunnen zingen, en nog mooi ook! En zoals voor de meeste écht goede muziek geldt: je kunt het niet vaak genoeg horen!

Inmiddels zijn we twee jaar en een hoop coronagedoe verder en kan ik me geen leven meer voorstellen zonder deze heggenmus. Een paar weken geleden hoorde ik hem nog niet en keek ik naar hem uit. Een tijdje later was het er ineens weer, dat prachtige lied, en mijn hart maakte een sprongetje. ‘Welkom terug!’ dacht ik.

Foto: Ed Mather (www.edmather.com)

En vanochtend dacht ik ineens: nu ga ik het doen. Ik ga een boek kopen over de heggenmus. Maar niks dus, nada. Helaas. Misschien moet ik het maar zelf gaan schrijven.

[PS Na lang zoeken blijkt één roman te zijn die The Hedge Sparrow (De heggenmus) heet. Het boek is geschreven door ene C.R. Allen (Charles Richards Allen), een Nieuw-Zeelander (Engelsman van geboorte) die behalve romans ook gedichten en toneelstukken heeft gepubliceerd. The Hedge Sparrow kwam uit in 1937 bij uitgeverij Reed uit Auckland. Er worden momenteel vijf exemplaren te koop aangeboden op de Engelse boekensite Abebooks. Volgens een biografietje zijn er twee romans waar Allen bekend om is gebleven, te weten A Poor Scholar: a tale of progress uit 1936 en het eerdergenoemde The Hedge Sparrow. Helaas lijkt laatstgenoemde boek niet over heggenmussen te gaan, want het enige wat ik erover te weten kom is het volgende: The Hedge Sparrow speelt zich af in de Nieuw-Zeelandse stad Dunedin in de tijd van de liberale regering van Richard John Seddon. De roman onderzoekt de ongelijkheden waar destijds sprake van was de Nieuw Zeelandse samenleving. Sorry, maar ik sla denk ik toch maar even over.]

Zo ziet het boek eruit:

[NB2 Er blijkt een fantastisch artikel over het seksleven van de heggenmus online te staan. Je vindt het hier. Het geschreven door Jeanet van Zoelen van de Vogelbescherming. Jeanet, zou je alsjeblieft een keer een heel boek willen schrijven over dit prachtige vogeltje? Alvast bedankt!]

Natuurdocu: The Velvet Queen

Het mooie van de natuurdocu The Velvet Queen is niet dat je als kijker bijna twee uur lang samen met twee mannen over de Tibetaanse hoogvlaktes struint voor een glimp van een belachelijk-goed-gecamoufleerde-en-daardoor-bijna-onvindbare reuzepoes. Nee, het mooie is dat er een vrouw in de film zit die nóg onzichtbaarder is dan die (overigens prachtige) sneeuwpanter: cameravrouw Marie Amiguet. Precies nul keer is ze te zien en te horen in de film. Zonder haar adembenemende beelden zou het filosofische geklets van de twee natuurgekkies (regisseur Vincent Munier en schrijver Sylvain Tesson) een stuk minder genietbaar zijn geweest. Toch een must-see dus, deze film.

Plexant – Bubble Universe

Mag ik aan u voorstellen: Plexant. Deze geniale singer-songwriter en producer uit Amsterdam-Noord heeft zojuist zijn eerste album ehh…gedropt (ze je dat zo, tegenwoordig???) en het is er een om in te lijsten! Luister deze acht zeer zorgvuldig in elkaar gezette muziekstukken op een goede koptelefoon in de juiste volgorde en je snapt wat ik bedoel. In ieder nummer zitten wel een paar geniale, verrassende wendingen. Ook tekstueel doet Plexant van zich spreken: alle nummers bevatten eigenzinnige, poëtische vondsten. Kortom, luisteren maar!

John Frus-jattie

Al dagen spookte de vraag door mijn hoofd: waar lijkt dat riffje uit Black Summer, de nieuwe single van de Red Hot Chili Peppers, op? En vannacht, de slaap niet vatten kunnende, schoot het me ineens te binnen: de Beatles! Het duurde nog wel enige tijd voordat ik erachter kwam wélk nummer van de Fab Four, maar ook dat schoot me vanzelf te binnen: A Hard Days Night. Het gitaarloopje zit in beide nummers ongeveer op dezelfde plek: in het midden. Luister en oordeel zelf:

Neem ik het John Frusciante, de gitarist van de Peppers, kwalijk? Natuurlijk niet! Want Under The Bridge en uit de dood opstaan enzo. Dus. En trouwens, de grootsten der aarde jatten allemaal wel eens iets. Daar wees niemand minder dan Elvis Costello ons onlangs nog maar eens fijntjes op.